Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
29- — DE OPWEKKING VAN LAZARUS.
(Job. lo : 22—II ; 46.)
In den winter, op het feest der vernieuwing des tempels, wan-
delde Jezus te Jeruzalem in den voorhof van Salomo, toen de Joden
Hem omringden en tot Hem zeiden: Indien Gij de Christus zijt,
zeg het ons dan vrijuit. De Heer antwoordde hierop, dat Hij dit
reeds gezegd had en dat ook Zijne werken van Hem getuigden,
maar dat zij het toch niet geloofden. Hij zeide bij die gelegenheid
ook: Ik en de Vader zijn één. De Joden noemden dit godslastering
en wilden Hem hierom steenigen. Hij ging echter van daar, over
de Jordaan, naar de plaats, waar Johannes eerst doopte. Daar bleef
Hij eenigen tijd en velen geloofden in Hem. — Terwijl de Heer
daar was, kwam de boodschap tot Hem, dat zijn vriend Lazarus
te Bethanië doodziek was. Jezus zeide op dit bericht, dat deze ziekte
tot verheerlijking Gods zou strekken. Hij ging echter niet terstond
heen om hem te genezen. Na verloop van twee dagen zeide Hij tot
Zijne discipelen: Laat ons weer naar Judéa gaan. Toen zij Hemer
opmerkzaam op maakten, dat- men Hem daar pas had gezocht te
steenigen, liet Hij zich daardoor niet terughouden. Hij zeide: Laza-
rus, onze vriend, slaapt, maar ik ga heen 07n hem uit den slaap
op te wekken. Daar de discipelen. meenden, dat deze slaap een
teeken was van herstel, zeide de Heer: Lazarus is gestorven, en
ik ben blijde om uwentwil, dat ik daar niet geweest be7i, opdat
gij geloovefi moogt. — Toen Jezus te Bethanië kwam, lag Lazarus
reeds vier dagen in het graf. Martha, hoorende, dat Jezus kwam,
liep Hem te gemoet en klaagde, dat haar broeder niet gestorven
zou zijn, als de Heer er maar was geweest. Jezus zeide toen: Uw
broeder zal weer opstaan. Ik ben de opstanding en het leven; die
in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven. Gelooft gij dat?
Martha beleed daarop, dat zij geloofde, dat Hij de Christus was, de
Zone Gods, die in de waereld komen zon. Zij ging daarna tot Maria
en zeide haar, dat Jezus haar riep. Maria spoedde zich toen naar den
Heer en klaagde Hem hare droefheid. Toen weende Jezus. De Joden,
die dit zagen, zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had. — Bij het graf
gekomen, liet Jezus den steen wegnemen, en, nadat Hij God ge-
dankt had, riep Hij met groote stem: Lazarus, kom uit ? Terstond
werd nu de gestorvene levend. Velen uit de Joden, dit ziende, ge-
loofden in Jezus, maar anderen boodschapten het gebeurde aan de
farizeên.' — Dezen beraadslaagden nu samen. Zij konden niet ont-
kennen, dat Jezus vele teekenen deed en zij vreesden, dat spoedig
het geheele volk in Hem gelooven zou. Dan zouden de Romeinen
het volk, dat Hem aanhing, geheel vernietigen. De hoogepriester
Kajafas gaf daarom te kennen, dat 't het beste was. Hem te doo-
den, opdat het volk gespaard mocht blijven. Van dat oogenblik af,
zon men op middelen, om Jezus te dooden. — ijoh. 10 : 27, 28;
I Joh. 4:9; Openb. i : 17, 18.--Ps 144 : 2 : Gez. 142 : 5; Ps. 14 : 7.