Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
28. — DE GENEZING VAN DEN BLINDGEBORENE.
(Joh. 9—lo : 21.)
De vijandige gezindheid der Joden kwam nu bij iedere gelegen-
heid uit. Dit bleek al spoedig weer. Jezus zag te Jeruzalem op
eenen sabbat een bedelaar, die van zijne geboorte af blind was.
Zijne discipelen, die ten onrechte meenden, dat elke kwaal eene
straf was voor bepaalde zonden, vroegen nu den Heer, wie gezon-
digd had, deze man zelve of zijne ouders. Jezus antwoordde daarop:
Geen van beiden, maar deze man is bhnd, opdat God verheerlijkt
zal worden. Dit zeggende, spoog Jezus op de aarde, maakte slijk
en bestreek daarmede de oogen des blinden. Daarop zeide Hij tot
hem: Wasch u in het badwater Silóam. De man deed dit en hij
werd ziende. — Natuurlijk werd dit spoedig bekend. De bekenden
van den man vroegen hem, hoe hij ziende geworden was. Toen hij
de gansche toedracht verhaald had, bracht men hem tot de farizeên.
Ook aan de farizeen vertelde hij, wat er geschied was. Sommigen
van hen noemden Jezus een sabbatschenner; anderen echter zeiden:
Hoe kan hij dan zulke teekenen doen? Zoo ontstond er tweedracht
onder hen. Toen men den blinde vroeg, wat hij van Jezus dacht,
zeide hij: Hij is een profeet. —- Nu wou men het laten voorkomen,
dat hij nooit blind was geweest, maar toen men zijne ouders geroe-
pen had, bevestigden dezen, dat hij blind geboren was. Zij wilden
zich echter niet uitlaten over de vraag, hoe hij dan ziende was ge-
worden. Hij heeft zijnen ouderdom, — zeiden zij, — vraagt hem
zeiven. Zij waren namelijk bevreesd voor de Joden, want men had
besloten, dat men iedêr, die Jezus beleed als den Christus, uit de
synagoge zou werpen. — De blindgeborene werd nu wederom onder-
vraagd, maar toonde duidelijk hunne booze bedoelingen te begrijpen
en sprak dat ook rondweg uit. Volgens hem moest iemand, die zoo
iets doen kon, een buitengewoon jjersoon zijn. Dit had ten gevolge,
dat de farizeen den man uit de synagoge wierpen. — Toen kort
daarna de Heer hem weder ontmoette, maakte Hij zich als de Zoon
van God aan hem bekend. De genezene geloofde in Hem en aan-
bad Hem. Jezus zeide toen: Ik ben tot een oordeel in de waereld
gekomen, opdat degenen, die niet zien , zien mogen, en die zien,
blind worden. De farizeen vroegen nu, of zij dan ook blind waren,
waarop de Heer ten antwoord gaf: Indien gij blind waart, zoo zotidt
gij geene zonde hebben, maar nu zegt gij: wij zien; zoo blijft dan
uwe zonde. — Jezus sprak nu verder tot de schare en wees er op,
dat men alleen door Hem behouden wordt. Hij noemde zich zeiven
den goeden Herder, die voor de schapen zorgt en ook Zijn leven
voor hen stelt, en zeide, dat Hij macht had het leven af te leg-
gen en het weder aan te nemen. 'loen nu sommigen Hem bezeten
noemden, zeiden anderen: Dit zijn geen woorden eens bezetenen;
kan ook de duivel der blinden oogen openen 1 — Joh. 8:12: Matth.
II : 25 ; Joh. 10 : 14.--Gez. 4:5; Ps. 145 : 4; Gez. 49 : 2.