Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
25- — DE VERHEERLIJKING OP DEN BERG.
(Matth. i6 : 13—17 : 23; Marc. 8 : 27—9 : 32; Luk. 9 : 18—45.)
Toen Jezus kort daarna in de omstreken van Cesaréa Filippi geko-
men was, vroeg Hij Zijnen discipelen, terwijl Hij met hen alleen was:
Wie zeggen de menschen, dat ik ben? Zij gaven daarop ten antwoord,
dat sommigen, zooals bijv. Herodes, Hem hielden voor Johannes
den Dooper, anderen voor Elia, en weer anderen voor Jeremia of
een der profeten. Om nu de discipelen zich te doen uitspreken,
vroeg Jezus daarop: Maar gij, wie zegt gij dat ik ben! Zij hadden
nu al zoo lang met Hem omgegaan, zij moesten Hem dus ook wel
kennen. Dat was dan ook zoo, en daarom antwoordde ook nu weer
Petrus: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Deze belij-
denis was zóó naar waarheid, dat Jezus erkende, dat God zelf dit
aan Petrus geopenbaard had. — Van toen af begon Jezus Zijnen
discipelen mede te deelen, dat Hij van de overpriesters en schrift-
geleerden veel zou moeten lijden en ten laatste door hen gedood
zou worden, maar ook, dat Hij ten derden dage weer levend zou
worden. Petrus wilde daarvan niets hooren, en zeide, dat dit niet
geschieden zou. Hij trachtte, uit een verkeerd geplaatste liefde,
den Heer hiervan terug te houden, maar Jezus bestrafte hem daar-
over en noemde hem een verzoeker. Tevens leerde de Heer den Zijnen
bij deze gelegenheid, dat zij, die Hem wenschten te volgen, zich
zeiven verloochenen en zich op het verdragen van lijden voorberei-
den moesten. — Zes dagen later nam de Heer Petrus, Johannes
en Jac obus met zich op een hoogen berg. Terwijl Hij daar bad,
werd Hij voor hen van gedaante veranderd en Zijn aangezicht blonk
gelijk de zon en zijne kleeding werd wit gelijk sneeuw. Ook zagen
de discipelen twee mannen, Mozes en Elia, die met Jezus spraken
over Zijn aanstaand lijden. Petrus wilde toen terstond drie tenten
maken, maar terwijl hij dit zeide, kwam er eene wolk, die Mozes
en Elia wegnam, en uit deze wolk werd eene stem gehoord, die
zeide: Deze is mijn geliefde Zoon, in welken Ik mijn welbehagen heb ;
hoort Ilem ! Van vrees vielen de discipelen ter aarde, maar de Heer
richtte hen op en gebood hun, dat zij van deze verschijning vóór
Zijne opstanding tot niemand zouden spreken. De verheerlijking op
den berg had de voorspelling van Jezus aangaande Zijn lijden be-
vestigd en tevens de discipelen versterkt in hunne belijdenis van
den Christus. — Toen Jezus den dag daarna van den berg afdaalde,
kwam een man bij Hem, wiens kind vreeselijk leed. De discipelen
hadden het niet kunnen genezen, maar de Heer liet het kind bij zich
brengen en maakte het terstond gezond. Allen verwonderden zich
hierover. Deze verwondering gaf echter niets. Later zou het volk den
Heer toch verwerpen. Dat geloofden de discipelen nu ook wel, en
toen de Heer nu weer op Zijn aanstaand lijden wees, waren zij wel
bedroefd, maar zij spraken Hem toch niet meer tegen. —Luk. 12 :8;
Fihpp. 2 : 6—8; Filipp. 2 :9—11.--I's. 118 : 11: Gez. 2:3: Ps. 25 : 7. "