Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
23- — DE CHRISTUS, DE ZOON DES LEVENDEN GODS.
(Matth. 14 : 22—36; Marc. 6 : 45—56: Joh. 6 : 15—71.)
De wonderbare spijziging der 5000 mannen had op de menigte zulk
een indruk gemaakt, dat men Jezus, desnoods met geweld, koning
wilde maken; Omdat Hij dit wist en het niet goedkeurde, ontweek
Hij de schare. Nadat Hij daarom Zijne discipelen gedwongen had,
in het schip te gaan en naar de overzijde te varen, beklom Hij zelf
een berg om daar in de eenzaamheid te bidden. De discipelen waren
intusschen afgevaren, maar daar de wind hun tegen was en boven-
dien hevig woei, konden zij maar weinig vorderen. Tegen de vierde
wake des nachts, ongeveer bij het aanbreken van den dag, waren
zij nog maar 25 ä 30 stadiën gevaren, toen Jezus, wandelende op
de zee, tot hen kwam en zich hield, alsof Hij hen voorbij wilde gaan.
Allen zagen zij Hem, maar daar zij niet wisten, dat Hij het was,
werden zij zeer bevreesd, meenende een spooksel te zien. De Heer
stelde hen echter terstond gerust door hun toe te roepen: Zijt goeds-
moeds, ik ben het, vreest tiiet. Petrus antwoordde toen: Heer, indien
Gij het zijl, zoo gebied mij tot U te komen op het water. Op het
woord van Jezus: Kom ! klom Petrus toen uit het schip en wan-
delde op het water. Maar toen hij den sterken wind zag, werd hij
bevreesd en begon hij te zinken. In zijn angst riep hij nu: Heere,
behoud mij. Terstond greep Jezus hem en bestrafte hem over zijn
kleingeloovigheid. Daarna klom Hij in het schip en de wind ging
liggen. Die in het schip waren, vielen toen aanbiddend voor Jezus
neder en beleden het: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon. —• Aan wal
gekomen, werd de Heer terstond herkend en begon men allerlei
kranken tot Hem te brengen. Overal waar Hij kwam vond Hij zul-
ken, die genezing van Hem begeerden. Zij baden Hem, dat zij maar
den zoom Zijns kleeds aanraken mochten, en zoovelen als er Hem
aanraakten werden gezond. — Den volgenden dag hield Jezus in
de synagoge te Kapernaüm eene rede tot de schare, waarin Hij
haar bestrafte over hare vleeschelijke gezindheid en haar ongeloof.
Velen Zijner discipelen vonden deze rede hard en murmureerden
daarover. De Heer verklaarde de ergernis, die zij aan Zijne woor-
den namen, hieruit, dat sommigen van hen ook niet geloofden.
Er waren namelijk velen, die Hem slechts volgden om de spijze en
om de teekenen. — Van toen af trokken zich velen Zijner discipe-
len terug, die niet meer met Hem gingen, omdat Hij hun te veel
de waarheid zei. De Heer vroeg daarom aan de twaalf apostelen:
Wilt gijlieden ook niet weggaan"! Hoe zij er over dachten, bleek
echter uit Petrus' antwoord: Heere, tot wien zullen wij heengaani
Gij hebt de woordeit des eeuwigen levens. E71 wij hebben geloofd en
bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. —
Deze belijdenis van Petrus is nog altijd die der Christelijke gemeente.
Door Christus alleen kennen wij het eeuwige leven. — Micha 7:7;
Marc. 6 : 56; Joh. 6 : 68.--Ps. 91 : i ; Gez. 46 : 10, 12; Ps. 31 : 15.