Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
22. — DE WONDERBARE SPIJZIGING.
(Marc. 6 : 30—44; Joh. 6 : i—14; Marc. 8 : i—9,)
Toen de apostelen teruggekeerd waren, ging Jezus met hen
in een schip, om over te varen naar eene eenzame plaats, ten
einde daar een weinig te rusten. Gelijk altijd, was er ook nu
eene menigte volks bij den Heer. Als nu de scharen zagen, dat
Hij in het schip ging, liepen zij gezamenlijk te voet van alle
steden den Heer na en kwamen Hem voor, zoodat, toen Jezus
aan den oever kwam, zij Hem daar reeds wachtten. De Heer
werd toen roet innige ontferming over hen vervuld, want zij
waren als schapen, die geen herder hebben. Hij sprak tot hen
van het koninkrijk Gods, en die genezing van noode hadden
maakte Hij gezond. — Ondertusschen was het laat op den dag
geworden. De discipelen zeiden daarom tot den Heer: Laat het
volk nu gaan, opdat het in de omhggende dorpen en vlekken
brood voor zich moge koopen. In die eenzame plaats namelijk
was geene spijze te krijgen, en de menigte had ook niets bij
zich om te eten. De Heer echter, die het geloof Zijner disci-
pelen en hun vertrouwen in Hem op de proef wilde stellen,
zeide tot hen: Geeft gij him te eten. Maar zij bezaten slechts
200 penningen, en Filippus merkte op, dat dit niet genoeg
was om zooveel te koopen, dat ieder iets kreeg. Daarop zeide
.Andreas tot den Heer, dat er een jongen was, die vijf gerste-
brooden en twee vischjes had; maar wat hielp dit weinige voor
zoo vele menschen. Toen gaf Jezus Zijnen discipelen last, de
scharen te doen nederzitten op het gras in hoopen van honderd
of vijftig. Daarna nam de Heer de vijf brooden en de twee
vischjes, en, nadat Hij zijne oogen ten hemel gericht had, dankte
Hij God, verdeelde de spijze in gedeelten, die Hij aan de disci-
pelen gaf, opdat dezen ze weer aan de schare zouden geven.
Op deze wijze kregen, door de goede zorg des Heeren, allen
te eten, en zij ontvingen zooveel, dat zij ook allen verzadigd
waren. De discipelen en de anderen, die daarbij tegenwoordig
waren, ontvingen dus nu weer een nieuw bewijs, dat zij altijd
gerust op den Heer konden vertrouwen en dat Hij het hun aan
geen ding zou laten ontbreken. Deze wonderbare spijziging was
dan ook een teeken van 's Heeren groote macht, want niet alleen,
dat er vijfduizend mannen van deze vijf brooden en twee visch-
jes gegeten hadden, maar toen de discipelen daarna, op bevel,
de overgeschoten brokken verzamelden, namen zij nog twaalt
volle korven op. — Later heeft de Heer nog eens eene schare
van vierduizend mannen, de vrouwen en kinderen niet medege-
teld, gevoed met zeven brooden en eenige weinige vischjes. Ook
toen bleven er nog zeven volle manden met brokken over. —
].uk. 12 : 24; I Tim. 6 : 8: Joh. 6 ; 35.--Gez. 107 : 3; Ps. iii : 3:
Gez. 104 : 7, 9.