Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
21. — DE UITZENDING DER TWAALF APOSTELEN.
(Matth. 9 : 27— 3S; 10 ; i—42.)
Goeddoende ging Jezus het land door. Overal hielp Hij de onge-
lukkigen. Toen Hij, na Jaïrus' dochtertje opgewekt te hebben, Zijne
reis voortzette, volgden Hem twee blinden. In huis gegaan zijnde,
kwamen zij bij Hem, vragende om genezing. Toen zij op de vraag
van Jezus: Gelooft gij, dat ik dat doen kan? met beslistheid ten
antwoord gaven: fa, Heere! raakte Jezus hunne oogen aan, zeg-
gende: U geschiedde naar uw geloof. Terstond werden zij ziende. —
Terwijl zij heengingen, werd tot Hem gebracht een stomme, die
tevens van den duivel bezeten was. Ook hem genas de Heer. De
menschen verwonderden zich over deze teekenen zóó, dat zij erken-
den : Er is 7iooit desgelijks in Israclgezien. De farizeen wilden dat
echter niet toestemmen, maar lasterden den Heer door te zeggen,
dat Hij de duivelen uitwierp door den overste der duivelen. — Dit
belette Jezus evenwel niet om geheel Galiléa door te reizen en overal
de kranken te genezen. Maar niet alleen het lichamelijk, ook het
geestelijk welzijn des volks bedoelde Hij. Daarom predikte Hij in
de synagogen het evangelie, de blijde boodschap van behoudenis
voor zondaren. Hij zag de menigte met innerlijke ontferming aan,
omdat zij vermoeid en verstrooid waren als schapen, die geen her-
der hebben. Daarom zeide Hij tot Zijne discipelen: De oogst is wel
groot, maar de arbeiders zijn weinige. Bidt dan den Heer des oog-
stes, dat Hij arbeiders i7i Zijnen oogst uitstoote. — De Heer zond
hen toen uit om te prediken: Het ko7ii7ikrijk der he7nelen is 7iabij
gekomen. Ook gaf Hij hun macht om de kranken te genezen en
de dooden op te wekken. Evenals Hij zelf, moesten ook zij dezen
arbeid doen uit innerlijke ontferming. Gij hebt het 07n 7iiet ontvan-
gen, zeide Hij, geeft het o/n 7iiet. Zij mochten nog niet tot de
Samaritanen en Heidenen gaan, maar alleen tot de verlorene scha-
pen van het huis Israëls. Schoone lessen gaf hij hun mede. Zonder
bezorgdheid moesten zij uitgaan; zij zouden overal wel voedsel vin-
den. Veel tegenstand zouden zij ondervinden. Ziet, ik zende u als
schapen i7t het 77ndden der wolven , zeide Hij, en voegde er aan toe :
Zijt da7i voorzichtig gelijk de sla7igen en oprecht gelijk de duiven.
Maar tevens stelde Hij hen gerust door er op te wijzen, dat de
Hemelsche Vader, die voor de muschjes zorgt, ook over hen waakte.
Tot getrouwheid spoorde Hij hen aan, als hij sprak: Ee7i iegelijk
da7i, die mij belijde7i zal voor de 7nensche7i, die7i zal ik ook belijdeit
voor mijnen Vader, die in de he7nele7i is. En eindelijk herinnerde
Hij hun: Die zijn kruis niet op zich nee7nt e7i 7nij 7iavolgt, is mijns
7iiet waardig; terwijl Hij hun ook verzekerde: Die u ontvangt, 07it-
vangt mij, e7i die 7nij ontva/igt, 07ilvangt He/n , die mij gezonde7i
heeft. — De discipelen doorreisden al de vlekken van Galiléa en
keerden daarna tot Jezus terug. — Matth. 10 : 37, 38; Matth. 12 ; 36;
Matth. 10 : 29—31.--Ps. 145 ; 2; Gez. 48 : 9, 10 : Ps. 126 : 3.