Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
19 — DE STORM OP ZEE EN DE BEZETENE TE GADARA.
(Matth. 8 : 18—34; ^'arc. 4 : 35—41; 5 : I—21.)
Kort nadat Jezus aan den oever der Galilésche zee de schare
door gelijkenissen aangaande het koninkrijk der hemelen had onder-
wezen, besloot Hij, naar de andere zijde over te varen. Hij ging
toen met Zijne discipelen in een schip, terwijl andere scheepjes
hen volgden. Terwijl men op zee was, stak er een geweldige storm
op, zoodat de baren over het schip sloegen en het vol water werd.
Ondertusschen lag de Heer in het achterschip rustig op een oor-
kussen te slapen. Angstig en bevreesd wekten de discipelen Hem,
terwijl zij tot Hem zeiden: Heere, behoed ons, wij vergaart! Dit
was een bewijs, dat zij niet volkomen op den Heer vertrouwden.
In Zijne nabijheid waren zij immers veilig, en zoolang Hij bij hen
was zou geen onheil hun overkomen. Zacht verwijtend zeide Hij
dan ook tot hen: Waarom zijl gij vreesachtig ^ gij kleingeloovigen^
Maar tevens bestrafte Hij den wind en de golven, en het werd zeer
stil. De discipelen werden hierdoor met diepen eerbied vervuld en
riepen vol bewondering uit: Wie is toch deze, dat ook de wind en
de zee Hem gehoorzaam zijti 1 — Toen zij nu aan de andere zijde
van de Galilésche zee gekomen waren, in het land der Gadarénen,
en Jezus aan wal gegaan was, ontmoetten Hem twee van den
duivel bezetenen, die in de graven hunne woning hadden. Deze
graven waren namelijk een soort van vertrekken, die in de rotsen
waren uitgehouwen. Een dezer bezetenen trok vooral de aandacht.
Hij verkeerde in zulk een staat van volslagen razernij, dat men
hem zelfs niet met ketenen kon binden, daar hij deze telkens in
stukken trok. Hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in
de graven, roepende en zich zeiven met steenen slaande. Toen Hij
Jezus zag, viel hij neder en aanbad Hem, en riep met groote stem:
Wat heb ik met u te doen, feziis, gij Zone Gods, des Allerhoog-
sten! Op de vraag des Heeren, hoe hij heette, antwoordde hij:
Eegio (d. i. eene groote bende), waarmede hij bedoelde, dat vele
duivelen in hem gevaren waren. Toen Jezus nu den onreinen geest
bevolen had, van hem uit te gaan, vroeg de man, dat de duivelen
in eene kudde van omtrent 2000 zwijnen, die daar weidde, moch-
ten gaan. Dit geschiedde, en de zwijnen stortten van de steilte af
in de zee, terwijl de hoeders de vlucht namen naar de stad en
daar vertelden, wat er gebeurd was. Toen nu de Gadarénen kwa-
men om te zien, of dit zoo was, zagen zij den bezetene geheel
genezen, en zij werden bevreesd en baden Jezus, dat Hij uit hun
land zou weggaan. Zij letten dus meer op het verlies der zwijnen,
dan op het behoud van een mensch. — Jezus ging weer in het
schip, en aan den man, die genezen was en Hem volgen wilde,
beval hij in zijn land te blijven en daar te verhalen, welke groote
dingen hem de Heer gedaan had. — Nah. i : 7; Ps. 89 : 9, 10;
Klaagl. 3 : 22.--Ps. 93 : 2, 3; Gez. 28 : 3; Ps, 77 : 7.