Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
i6. — ANDERE GELIJKENISSEN.
(Luk. lo : 25 -37; 15 : 11—32; 16 : 19—31.)
Jezus sprak dikwijls tot het volk door middel van gelijkenissen. —
Eens vroeg een wetgeleerde, met het doel om Jezus te verzoeken:
Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? De Heer
vroeg hem toen, wat in de wet geschreven was. Op het antwoord,
dat men God boven alles en den naaste gelijk zich zeiven moet
liefhebben, zeide Jezus: Doe dat en gij zult leven. De wetgeleerde
vroeg toen: En wie is mijn naaste? Nu verhaalde de Heer hem het
volgende: Iemand, van Jeruzalem naar Jericho reizende, viel onder
de roovers, die hem alles ontnamen, hem sloegen en halfdood lieten
liggen. Eerst ging er toen een priester, daarna een leviet voorbij.
Hoewel beiden den ongelukkige zagen liggen, hielpen zij hem niet.
Eindelijk kwam een Samaritaan daar langs. Deze had, toen hij den
beroofde zag, medelijden met hem. Hij verbond zijne wonden, lei hem
op zijn beest, bracht hem in de herberg en verzorgde hem. Den vol-
genden dag moest hij verder reizen. Hij droeg echter den waard op,
zorg te dragen voor den gewonde, en beloofde, alle kosten te zullen
betalen. Wie, zoo vroeg Jezus nu, dunkt u, dat de naaste was van
dien ongelukkige ? Natuurlijk antwoordde de wetgeleerde: Die barm-
hartigheid aan hem gedaan heeft. Welnu, zei toen de Heer, ga heen
en doe gij desgelijks. — Om duidelijk te maken, hoe gaarne God
den zondaar de zonden vergeeft, verhaalde Jezus de gelijkenis van
den verloren zoon. Iemand had twee zonen. De jongste vroeg van
den vader het deel des goeds, dat hem toekwam, en reisde daarmee
naar een ver land. Hier bracht hij alles in overdaad en ongebon-
denheid door. Toen er nu een hongersnood kwam, leed hij gebrek
en mocht zelfs niet den draf der zwijnen, die hij hoedde, eten. Dit
wekte zijn berouw en hij besloot, tot zijn vader terug te keeren,
schuld te belijden en te vragen om als zijn knecht aangenomen te
worden. Hij voelde zich niet meer waardig zijn zoon te heeten. Van
verre zag hem reeds de vader. Hij liep den zoon tegemoet, kuste
hem, vergaf hem alles en richtte uit blijdschap een feestmaal aan.
De oudste zoon was daarover boos, want hij zag minachtend op zijn
broeder neer, maar de vader bestrafte hem daarover en wilde, dat
ook hij blijde zou zijn, want zeide hij, deze uw broeder was dood
en is weder levend geworden, hij was verloren en is gevonden. —
In de gelijkenis van den rijken man, die allen dag vroolijk en prach-
tig leefde en aan God noch aan den naaste dacht, en den armen
Lazarus, die als een ellendige bedelaar aan de poort des rijken lag,
stelde de Heer de vergelding voor, die eenmaal de menschen naar
hunne werken ontvangen zullen. De rijke man kwam na den dood
in de pijn; de arme Lazarus werd door de engelen in Abrahams
schoot gedragen. Toen werd Lazarus vertroost en de ander leed
smarten, terwijl er voor hem geene uitredding meer mogelijk was. —
I Joh. 3:18; Jer. 3 : 22; Jac. i: 27.--Gez. 61 : 14; P.s. 65 : 2; Gez. 183 : 4.