Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
13. — DE KRANKE TE BETHESDA.
(Joh. 5.)
Na eenigen tijd in Galiléa gepredikt te hebben, ging Jezus, bij
gelegenheid van een der Joodsche feesten, op naar Jeruzalem.
Daar was bij de Schaapspoort, ten noordoosten van den tempel,
een badwater, Bethesda [huis van barmhartigheid) genaamd, een
gesticht dat vijf zalen had, waarin eene groote menigte van allerlei
zieken was, wachtende op de roering des waters. Want een Engel
daalde neder op zekeren tijd in dat badwater en beroerde het water;
die dan het eerst daarin kwam, na de beroering van het water,
die werd gezond, van welke ziekte hij ook bevangen was. Toen
Jezus nu te Bethesda kwam, was daar ook een man, die reeds
acht en dertig jaren lang ziek geweest was. Hoogstwaarschijnlijk
had hij zijne ziekte te danken aan een zondig leven. De Heer zag
hem liggen, en wetende dat hij reeds zoo langen tijd krank was,
vroeg Hij hem: Wilt gij gezond worden? De man beklaagde zich
hierop, dat hij niemand had om hem in het water te dragen, als
dit beroerd werd, terwijl, als hij kwam, een ander hem steeds
voor was. Toen zeide Jezus: Sta op, neem uw beddeke op en
wandel. Terstond werd nu de man gezond en hij deed wat Jezus
hem gezegd had. — Het was echter juist Sabbat, toen dit geschiedde.
Op eene zeer kleingeestige wijze werd de rustdag door de Joden
onderhouden. Zij ergerden daarom zich er aan, dat de man zijn
bed droeg, want zij beschouwden dat als het doen van arbeid en
zeiden tot hem, dat dit niet geoorloofd was. De genezene ant-
woordde echter: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft mij gezegd:
Neem uw beddeke op en wandel. Hij beriep zich dus op Jezus;
maar toen men hem vroeg, wie het was, die dit gezegd had, wist
hij het niet, want hij kende Jezus niet. Kort daarna vond Jezus
hem in den tempel en zeide tot hem: Gij zijt nu gezond geworden,
zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. Hij moest
dus zijne dankbaarheid toonen door zijn leven. Nu wist de man
.echter, wie hem genezen had, en hij deelde dit terstond den Joden
mede. Dezen zochten toen Jezus te dooden, omdat Hij deze dingen
op den Sabbat deed. Het was wel treurig, dat zij zulk een verkeerd
denkbeeld van den rustdag hadden. Wij mogen en wij moeten op
den rustdag alles doen, waardoor wij God verheerlijken en anderen
helpen kunnen. — Jezus beriep er zich op, dat Hij, gelijk Zijn
Vader, altijd moest werken. Toen werden de Joden nog toorniger,
omdat Hij God Zijn Vader noemde, en zij hielden Hem nu niet
alleen voor een sabbatschenner, maar ook voor een godslasteraar.
De Heer werd dus zeer miskend. Wij moeten daarom niet al te
zeer klagen, als ook ons soms miskenning gewordt. — Jezus be-
strafte toen de Joden over hun ongeloof, hun onwil en hunne
verwerping van Hem, die hieruit voortkwamen, dat zij de Schrif-
ten niet geloofden. — i joh. 3:8; Exod. 20 : 8—10; Joh. 5 : 40.--
Ps. 146 : 6; Gez. 54 : I ; Ps. 119 : 17.