Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
II. — DE KONINKLIJKE HOVELING EN DE MANNEN
VAN NAZARETH.
(Joh. 4 : 43—54; Luk- 4 : i6—SO-J
In Galiléa was, voordat Jezus daar kjjf^^^eeds door de Gali-
leers, die op het feest geweest wareJ^-gekend geworden, wat
Jezus te Jeruzalem gedaan had. ToenJ^y dan te^Cana, waar Hij
Zijn eerste wonder verricht had, gektSgnt^as'fj^am tot Hem
een koninklijk hoveling uit Kapernaüjleüe^ hagren zoon, die
zeer krank was en op zijn sterven lallg)aai^ij. «ö^ehoord had,
dat Jezus te Kana was, wendde hij zft^iA ^i^ii^Äustheid over
zijns zoons toestand tot Hem, in de h^^ ^af^ij jc^Äe wonderen
doen kon, ook zijn zoon gezond zou mM^. D^roiflB^oeg hij den
Heer, dat Hij met hem wilde gaan naal^^pe^t.1nKijjezus stelde
hem even op de proef, maar de hovelin|^^ld ^n rjkt smeeken:
Heer, kom af, eer mijn kind sterft. Toen afe^ ^ hem:
Ga heen, uw zoon leeft. De hoveling geloo^e^^^^ord en ging
heen. Den volgenden dag kwamen hem zijn^^rrostknechten te
gemoet, die hem boodschapten: LTw zoon leeft. Toen de vader hun
nu vroeg, in welke ure het beter met zijn zoon geworden was,
bleek hem uit hun antwoord, dat de koorts hem op hetzelfde uur
verlaten had, waarop Jezus gezegd had: uw zoon leeft. Dit had
tengevolge, dat de hoveling zelf en zijn geheele huisgezin met
hem in Jezus geloofde. Zij hadden den Heer dan ook leeren ken-
nen in zijne macht en liefde. — waren echter ook menschen,
die niet alleen niet in Jezus geloofden, maar zelfs ergernis aan
Hem namen. Dat bleek, toen Jezus in dien tijd eens te Nazareth
kwam, waar Hij opgevoed was. Op den Sabbat ging Hij, gelijk
Zijne gewoonte was, naar de Synagoge. Jezus wenschte daar tot
de vergaderde menigte te spreken. Men gaf Hem daarop eene
boekrol, waarin de profetien van Jesaja geschreven waren. Toen
de Heer het begin van het 6iste hoofdstuk gelezen had, ging Hij
zitten om verder te spreken. Hij zeide toen, dat in Hem vervuld
was wat de profeet daar had gesproken. Men verwonderde zich
algemeen over de aangename wijze, waarop Hij sprak. Maar be-
wondering is nog geen geloof, en Jezus wilde geloof bij hen op-
merken. Toen Hij nu zeide, dat geen profeet aangenaam is in zijn
vaderland en daarbij Elia en Eliza als voorbeelden aanhaalde,
werden allen, die in de Synagoge waren, zeer toornig, want zij
voelden, dat de Heer dit zeide ter bestraffing van hun ongeloof.
Zij wilden wel aangename woorden, maar niet de harde waarheid
hooren. Zij wierpen Jezus nu buiten de Synagoge, drongen Hem
buiten de stad en leidden Hem op den top van den berg, waarop
Nazareth gebouwd was, om Hem in den afgrond te werpen, maar
Jezus, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg,
zoodat niemand Hem eenig leed kon doen. — Hebr. ii : i; Jes. 6i :
1—3; Matth, ii : 6.--Ps. 30 : 1,2; Gez 46 : 31, 32; Ps. 4 : 4.