Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
9- — OP DE BRUILOFT EN IN DEN TEMPEL.
(Joh. 2.)
Toen Jezus zijn eerste discipelen gevonden had, ging Hij met
hen naar Galiléa en begaf zich naar het stadje Kana. Daar werd
eene bruiloft gevierd, tot welke Hij met zijne leerlingen was ge-
noodigd. De Heer had er niet op tegen, dat men zich verblijdde
in het goede, dat God te genieten gaf, en daarom kwam Hij zeh
ook op de bruiloft om in de vreugde der jonggehuwden te deelen.
Terwijl men aan 't feestvieren was, bleek het, dat er wijn tekort
kwam. Maria, de moeder des Heeren, die ook tegenwoordig was
en het wist, zeide het aan Jezus, vertrouwende dat Hij wel raad
zou schaffen. Jezus antwoordde haar echter, dat Zijne ure nog niet
gekomen was. Maria zei ondertu^schen aan de dienaars: Zoo wat
Hij ulieden zal zeggen, doet dat. Zij toonde daardoor, op Hem te
vertrouwen. —• Toen Jezus nu dacht, dat het tijd was om te hel-
pen, gaf Hij last om zes steenen watervaten, die daar stonden en
bij de reiniging der Joden vóór en na den maaltijd gebruikt wer-
den, tot boven toe met water te vullen. Dit geschiedde, en daarna
werd van dit water, dat inmiddels wijn geworden was, aan den
hofmeester gebracht, die, dezen wijn proevende, hem nog beter
vond dan den vorigen en niet kon begrijpen, waarom men, tegen
de gewoonte in, den besten wijn tot het laatst bewaard had, en
zijne verwondering den bruidegom te kennen gaf. Dit was het eerste
wonder, dat Jezus gedaan heeft als teeken zijner heerlijkheid.
Hij hielp daardoor hulpbehoevende menschen, en zijne discipelen ,
die hierin het bewijs Zijner Goddelijke zending zagen, geloofden in
Hem. — Van Kana ging Jezus naar Kapernatlm, waar Hij echter
niet lang bleef, want, daar het pascha nabij was, ging Hij op
naar Jeruzalem. Daar vond Hij in den tempel menschen, die ossen
en schapen en duiven verkochten, en anderen, die geld wisselden.
Hierover ergerde de Heer zich zóó, dat Hij een geesel van touw-
tjes maakte en daarmede zoowel de ossen en schapen als hunne
verkoopers met de wisselaren uit den tempel dreef. Tot hen, die
de duiven verkochten, zeide Hij: Neemt deze dingen van hier weg;
maakt niet het huis mijns Vaders tot een huis van koophandel.
Te Kana had Hij Zijne heerlijkheid geopenbaard; hier te Jeruzalem
nam Hij het op voor de heerlijkheid Zijns Vaders. Toen de disci-
pelen dit zagen, dachten zij aan het woord van den Psalmdichter:
De ijver van uw huis heeft mij verteerd. — Te Jeruzalem op het
Paaschfeest deed Jezus nog wonderteekenen, door het zien waar-
van velen in Hem geloofden. Toch betrouwde Jezus'hun zich zeiven
niet toe, omdat Hij hen allen kende en omdat Hij niet van noode
had, dat iemand getuigen zou van den mensch, want Hij zelf wist,
wat in den mensch was. — Col. 3 : 17; Ps. 42 : 3; Jer. 17 : 10.-----
Ps 123 : I; Gez. 92 : 1,2; Ps. 26 : 2.