Boekgegevens
Titel: Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Auteur: Veen, S.D. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1899
7e dr
Opmerking: I: Oude Testament. - II: Nieuwe Testament
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8654
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202065
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsche geschiedenissen voor catechisatiën, scholen en huisgezinnen
Vorige scan Volgende scanScanned page
7. — JEZUS GEDOOPT EN VERZOCHT.
(Matth. 3 : 13— 17; 4 : i—II.)
Toen Jezus dertig jaar oud was, trad Hij openlijk op onder het
volk. Hij begaf zich toen uit Galiléa naar de Jordaan, waar Johan-
nes doopte. Hij wilde namelijk eerst door hem gedoopt worden.
Toen Hij Zijne begeerte aan Johannes te kennen gaf, weigerde deze
en zeide met verwondering: Mij is noodig van u gedoopt te worden
en komt gij tot mij ? Hij voelde namelijk, dat Jezus zeer ver boven
hem stond. Bovendien eischte hij als voorwaarde tot den doop altijd
de bekeering, en die had Jezus niet noodig, maar hij zelf wel,
omdat ook hij een zondaar was. Jezus bleef echter bij Zijn wensch
om gedoopt te worden. Toen gaf Johannes toe en Jezus werd door
hem gedoopt. Terstond na den doop zag Johannes, dat de Heilige
Geest, gelijk eene duif, op Jezus nederdaalde. Daaraan zag hij,
dat Jezus de Christus, de Zoon van God, was, want God had
hem van te voren gezegd: Op welken gij den Geest zult zien
nederdalen en op hem blijven, deze is het, die met den Heiligen
Geest doopt. Bovendien werd dit hem nog nader bevestigd door
eene stem uit den hemel, die zeide: Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde,
iti denwelken Ik mijn welbehagen heb. — Na den doop ging Jezus
naar de woestijn om zich daar door gebed en geestelijken strijd
voortebereiden tot het gewichtig werk, dat God Hem te doen gaf.
Veertig dagen lang vastte Hij daar en werd Hij op allerlei wijze
van den duivel verzocht. Na afloop dier veertig dagen hongerde
Hem. Toen kwam de verzoeker en zeide: Indien gij Gods Zoon zijt,
zeg, dat deze steenen brooden worden. Jezus antwoordde echter:
Er is geschreven: De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar
bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat. Daarna bracht
Hem de duivel te Jeruzalem en op de tinne de tempels en ver-
zocht Hem, zich naar beneden te werpen. Er stond immers ge-
schreven, zeide hij, dat God Zijne engelen bevelen zou, Hem te
bewaren. Maar Jezus antwoordde: Er is wederom geschreven: Gij
zult den Heer, uwen God, niet verzoeken. Eindelijk nam Hem de
booze mede op een zeer hoogen berg en toonde hem al de konink-
rijken de waereld en hunne heerlijkheid en zeide: Al deze dingen
zal ik u geven, indien gij, nedervallende, mij zult aanbidden.
Toen zeide Jezus tot hem : Ga weg, Satan ! want er staat geschreven :
Den Heer, uwen God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.
Hiermede was de duivel verslagen, zoodat hij van Jezus afliet. De
engelen Gods echter daalden af van den hemel en dienden Jezus. —
Jezus had dus overwonnen en heeft ons daarin tevens een voor-
beeld nagelaten. Ook wij worden dikwijls tot zonde verzocht.
Alleen dän kunnen wij staande blijven en den booze overwinnen;
als wij God liefhebben en Zijne geboden bewaren. In den strijd
tegen de verzoekingen is wat gschreven staat, de Heilige Schrift,
een machtig wapen. — loh. 3 : 36; Hebr. 4 15; Efez. 6 : 11.--
Ps. 119 : 65; Gez. 50 : 4; Ps. 86 : 6.