Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
oogenblik, en — de man klom tegen de ladder op. Nooit
zag ik mijn kruin schooner in het riviertje. De man hief
het kromme mes omhoog; er viel een slag, nog een: mijn
kruin boog en kraakte, brak en viel in het water..... Nu
wist ik, waarom het beekje altijd zijn spiegelvlak fronste,
als het mij zag. Dagen achtereen heb ik van leed en smart
geweend; al mijn levenssappen vergingen; ik wenschte niet
meer te leven, en meende niet langer te künnen leven. Maar
hoe meer ik weende, hoe vaster het beekje zioh aan mij
klemde; en ziet! het is zijn liefde, die mij deed herleven.
Weldra droogden mijn tranen, en waar zij gevloeid hadden,
kwamen nieuwe spruitjes; die groeiden met kracht, en spoe-
dig waren de droeve litteekens van mijn vroegeren bloei door
het frissche loover geheel bedekt.
Eér de winter kwam, en de grijze vorst mij weêr met een
witten krans tooide, was mijn afgekapte kruin door vele
nieuwe loten vervangen. Zoo leefde ik dan drie jaren, tel-
kens weêr een zomer en telkens weêr een winter, en reeds
kon ik in het tweede jaar zien, hoe de vischjes bij sterken
zonneschijn in de schaduw van mijn loovers kwamen spelen.
Dan verhaalden zij mij, wat zij altijd deden. In het derde
jaar nestelden de vogeltjes boven tusschen mijn takken," en
niemand wist het. De sterren, die het zagen, vertelden het
niet verder, en ik verheugde mij zwijgend. Maar 't volgende
jaar — 't was weêr, vóór er een blad aan de boomen kwam —
verscheen de man met de ladder en het kromme mes op-
nieuw. Toen de ladder beklommen was, doortrok een hui-
vering mijn leden. Mijn stam was sterker geworden, en
bood nu der ladder beter weêrstand. De man hief zijn mes
op, en hakte een mijner spruiten af. O, dacht ik, nu houd
ik er nog wel een over; maar voort ging het hakmes over
mijn geheele kruin, en geen enkel mijner loten bleef staan.
Mijn verwachting was voor de tweede maal teleurgesteld:
mijn spruiten waren mij weder ontrukt, waren verloren!____
Met een zucht namen zij afscheid van mij; met een zucht