Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
Maar de zonderlingste stof was een fijn glanzig weefsel,
dat hoofdzakelijk door rijke lieden gedragen werd, en, naar
men mij van geloofwaardige zijde verzekerde, uit de fijne
webben van een rups gemaakt was.
Dwaas gaan die menschen, vooral de vrouwen, in hun
kleeding te werk: zij dragen vele dingen, die ik werkelijk
niet zou kunnen beschrijven; soms schijnen zij zeer netjes
te zijn, maar somtijds ook overtreffen de Hottentotten hen.
Merkwaardig was de wijze, waarop het haar opgemaakt
werd: het werd gevlochten en met het vet van varkens en
andere dieren besmeerd. Dit vet was met zelfstandigheden van
verschillende soort en kleur vermengd. Evenals vele Indiaan-
sche stammen, gebruikten zij vederen op het hoofddeksel.
Eén zaak verwonderde mij zeer, en wel, dat velen in hun
woningen een dier van het tijgergeslacht hielden.- Het had
verschrikkelijke tanden en klauwen, en toch werd er meê
gespeeld, ja het werd zelfs door de kleinste en schroom-
valligste hunner kinderen gestreeld.
„Nu, ik zou er niet meê spelen," viel Jacob in.
„Als ge 't deedt, zoudt ge ook gevaar loopen een leelijke
krab te krijgen," zei de kapitein.
„De taal van dit volk klinkt vrij ruw, en een vreemdeling
kan haar moeilijk verstaan, maar tot elkander spreken zij
gemakkelijk en vlug. Een der koddigste gewoonten is de
wijze, waarop zij elkander groeten. Welk weder het ook zij,
ze ontblooten het hoofd, en blijven gedurende eenigen tijd
ongedekt, wanneer zij eens bijzonder beleefd willen zijn."
„Hé, dat gelijkt op het afnemen der hoeden bij ons," zei
•lacob.
„Aha, papa," riep Betje, „ik heb het begrepen. U hebt
ons van ons eigen land verteld, en wat er bij ons gebeurt."
„Maar wij eten toch geen vet en tot poeder gemalen zaden,"
zet Jacob, „en wij dragen geen huiden en webben, en wij
spelen niet met tijgers?"
„Niet?" zei de kapitein, „eilieve, wat is de harde stof, die