Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
dat tot een harde massa samengeperst en daarna gezouten
werd. Tot drank gebruikten zij veelal water, waarin zekere
droge, kleine blaadjes waren gedompeld. Men zeide mij,
dat die blaadjes uit verre landen kwamen. Ook wisten de
menschen uit de zaden eener grasplant een drank te be-
reiden, door die zaden in water te weeken, er een bitter
kruid aan toe te voegen, en alles tezamen te laten gisten.
Men wist mij over te halen om ervan te proeven; in het
eerst vond ik dien drank minder aanlokkelijk, maar met-
tertijd had ik er wel smaak in.
Nadat ik ongeveer een half jaar in die koude streek ge-
woond had, bevond ik, dat ditzelfde volk zich in een lief-
lijke weêrsgesteldheid verheugen mocht, en dat het land met
groen overdekt werd. Boomen en struiken zag ik met allerlei
vruchten beladen, die, met andere voortbrengselen uit het
plantenrijk, voor een groot deel het voedsel der bevolking
uitoiläikten. In 't bijzonder verkwikten mij zekere groote
beziën., die aan trossen groeiden: eenige waren groen, andere
paars, maar alle waren alleraangenaamst en frisch van smaak,
en zoo doorschijnend, dat men de zaden binnen in de beziën
kon zien liggen. Ook zag ik in dat land velden, geheel be-
dekt met bijzonder schoone bloemen; men zeide mij, dat,
na het afvallen dier bloemen, er hulzen aan kwamen met
zaden erin, die een uitnemend voedsel voor mensch en beest
uitmaken. Boschjes en wouden werden door velerlei vogelen
bewoond, die er een eigenaardige levendigheid aan gaven;
een dier vogelen kon met een weinig onderricht even ondui-
delijk als een papegaai leeren spreken.
De kleederdracht van die menschen bij warm weder was
zeer verschillend. Velen droegen een dunne stof, gemaakt
van de lange vezels uit den stengel eener plant, die met dat
doel aangekweekt werd; zij bereidden deze stengels, door ze
in water te weeken en daarna met groote hamers te kloppen.
Anderen droegen stof, die geweven was uit een vreemde
soort van plantenwol, welke in bolsters aan struiken groeide.