Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
groetten hem als den door God gezonden redder. Aan den
Lech kwam 't opnieuw tot een slag, en weder zegevierden
de Zweden. Tilly werd zwaar gewond, en stierf vijftien
dagen later te Ingolstadt. Gustaaf Adolf trok Beieren bin-
nen, nam zelfs München in, zette zijn overwinningstocht
voort naar Bohemen, en bezette Praag.
De Keizer, door zooveel nederlagen moedeloos, smeekte
zijn vroegeren veldheer Wallenstein, die bij hem in ongenade
was gevallen, hem weder te hulp te komen. Na lang weifelen
verklaarde deze zich daartoe bereid, mits hij onbeperkt ge-
bieder mocht zijn over de troepen, die hij op zijn eigen
kosten zou werven. Binnen vier maanden stond hij met
40.000 man en tachtig kanonnen ten strijde gereed.
Bij Neurenberg ontmoetten beide legers elkander. Gustaaf
Adolf bezette de stad, en versterkte haar met behulp der
inwoners. Wallenstein plaatste zich achter verschansingen.
Elf weken lang lagen de legers daar tegenover elkander.
Van beide zijden ontstond gebrek aan levensmiddelen, en
'sKonings troepen begonnen te verwilderen. Toen waagde
hij een storm op het Wallensteinsche leger, maar deze aanval
werd afgeslagen. Nog veertien dagen beidde hij, hopende
van dag tot dag, dat de gebreklijdende Wallensteiners zich
zouden overgeven. Maar dat geschiedde niet. Toen trok
Gustaaf zuidwaarts naar den Donau.
Nu brak ook Wallenstein op; hij vervolgde echter de
Zweden niet, maar ging naar Saksen, onderweg roovende
en brandende. Nauwlijks had Gustaaf Adolf dit vernomen,
of hij snelde zijn bondgenoot, den Saksischen Vorst, tegemoet.
De Saksers begroetten hem met groot gejuich: men kuste
zelfs den zoom zijns kleeds. Maar hij waarschuwde het volk
tegen zulk een vereering. „Ik wil uw afgod niet zijn," zeide
hij, „God zou u en mij daarvoor kunnen straffen: ik ben
niets dan een zwak en sterfelijk mensch!"
Het is in den avond van den 5den November 1632, dat