Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
moest hoeden, eer hij zooveel verdiend had. Toch aarzelde
bij nog.
„Welnu!" zei de Koning, „waarom ga je nu niet?"
De knaap schoof zijn hoedje op zij, en krabde zich achter
de ooren. „Ja," zeide hij, ik wil wel, maar ik durf niet.
Als de boeren hoorden, dat ik de ganzen verlaten had, joe-
gen zij me weg, en dan liad ik geen brood meer!"
„Onnoozele jongen!" riep de Koning uit, „ik zal de ganzen
wel hoeden, tot je wederkomt."
„Gij?" vroeg de jongen spottend. „Ge zijt me ook de
rechte voor ganzenhoeder! Ge zijt veel te dik en te stijf!
Dat zou me wat geven! Ze gingen zeker allen op den loop
naar de vette weiden, en ik zou meer boeten moeten be-
talen, dan ik in een jaar verdienen kan! En zie daar de
„tuinier", die groote met zwarten kop en zwarte vleugels,
dat is een deserteur, die zou 't me bont maken! Neen, neen,
het gaat niet!"
De Koning schaterde het uit van lachen. Maar hij zei
toch: „Waarom zou ik die ganzen niet in orde kunnen hou-
den; ik moet het wel zooveel menschen doen?"
„Gij?" vraagde de knaap weêr, en hij bekeek hem van
boven tot beneden. „Zijt gij dan misschien een school-
meester? Ik zeg u, uw bengels zijn ook gemakkelijker te
regeeren dan ganzen."
„'t Zij zoo," hernam de Koning; „maar praat niet langer.
AVil je 't boek halen of niet?"
„Ik wil wel, maar —"
„Ik sta voor alles in, en betaal de schade, die er van
komen mocht."
Dat was den knaap goed naar den zin. Hij drukte den
vreemdeling op het hart, toch nauwlettend toe te zien op
de „tuinier", die deftige gans, die altijd lust had om weg
te loopen, en liep zij weg, dan volgde de geheele troep. De
Koning beloofde het, nam de zweep over, en de jongen liep
heen; maar hij was nog niet verre, of hij kwam terug.