Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
66
„Hier is mijn hand, Wolf! ik ben uw kameraad," zegt de
andere ruiter, en beiden gaan heen.
Ha, ha! dacht de Rector, hij die onze stad ten verderve
bracht en mijn kinderen deed vermoorden, zal door de
hand zijner eigen krijgsknechten vallen! „Dat heeft hij
verdiend!"
Maar een oogenblik later bedaarde zijn wraakzucht, en
schaamte vervulde hem. Hij knielde neder, en zuchtte: „O
God en Vader, vergeef mij die booze gedachte aan wraak!
Schenk mij om Uws Zoons wil genade, om mijn vijanden
lief te hebben. Amen."
Trompetgeschal klonk door de straten. In blinkende wapen-
rusting reed Tilly de stad binnen. Niet ver van het klooster
naderde hem de heer Evenicus met rassche schreden.
„Wat wilt ge?" vroeg een officier dezen barsch.
„Ik verlang bij den veldheer gebracht te worden. Ik heb
een noodzakelijke boodschap voor hem."
Het geschiedde.
„Maak het kort," zei Tilly, „wat hebt ge mij te zeggen?"
„Ga niet verder. Heer!" zei de Rector, „vóór gij nauwkeurig
onderzoek hebt laten doen naar twee uwer ruiters, die be-
sloten hebben u te dooden. Zij hebben zich hier in den
omtrek verborgen."
Tilly gaf de noodige bevelen. Plotseling viel er een schot,
en weinige oogenblikken daarna werden de beide sluipmoor-
denaars voor den veldheer gebracht.
„Hoe zal ik u beloonen, wakkere man?" vroeg Tilly den
heer Evenicus. „Verlangt gij rijkdom, eere of waardigheden?
Ik kan ze u geven."
„Niets van dat alles verlang ik, edele Heer!" zei de Rector.
„Uw soldaten hebben mijn beide zonen doodgestoken, en
mijn woning is verbrand. Wat zou ik van dit leven nog
verlangen? Slechts éen bede heb ik: laat mij in veiligheid
naar Kalbe geleiden; aldaar heb ik een neef, die mij wel-