Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
Evenicus drukte zijn kinderen in zijn armen, en scheen
in een stil gebed verzonken.
Nieuw alarm! Tien of twaalf Kroaten stormen de woning
binnen. „Geld! geld!" schreeuwen zij. Zij grijpen den Rector
bij de keel, en zetten hem hun wapens op de borst.
„Ik heb niets meer voor ix!" zegt Evenicus kalm. „Uw
makkers hebben het al gehaald."
„Gij liegt, schurk!" dondert een Kroaat hem in de ooren,
en slaat met zijn zwaard naar den Rector, wien hij gelukkig
slechts een der wangen schramde.
Toen de knaapjes hun vader zagen bloeden, hingen zij
hem schreiend aan; hij troostte hen, en sprak hun moed
in, maar — twee der Kroaten rukten de jongens uit de armen
huns vaders, en doorstaken hen.
De moord op zijn lievelingen gepleegd, brak den vader het
hart. Krampachtig balde hij zijn vuisten; met leeuwen-
grimmigheid slingerde hij de moordenaars van zich af, ijlde
naar buiten, de straat op, en zonk met een dof geluid als
levenloos neder.
Toen hij een poos later tot zichzelven kwam, was een
groot deel der stad öf reeds verbrand, öf nog brandende;
en hoewel hij zich niet ver van zijn woning bevond, kon
hij nauwlijks de plaats meer vinden, waar zij had gestaan.
Zie, twee keizerlijke ruiters, in hun mantels gehuld,
naderen en zetten zich neder op eenige steenen vóór een
pilaar, die den ongelukkigen vader voor hun oogen verbergt.
„Zooals ik u zeg, Andreas!" zegt de een, „Tilly heeft ons
bedrogen. Wij zouden hier de schatten van vijf koninkrijken
vinden. Wij sloegen er dapper op los, veroverden de stad,
en vonden slechts eenige ellendige zilveren munten. Als
Tilly heden zijn intocht in de stad doet, zenden wij hem
van hier, uit de gloeiende puinhoopen, een paar kogels in
't lijf. Wij verbergen ons zoolang in de nabijheid."