Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
ja steelt hij zelfs de vruchten uit de tuinen der inboorlingen.
Een andere aijensoort op Ceylon is de Wanderoe. Die
komt aldaar het veelvuldigst voor. Deze aap is zeer bewe-
gelijk en behendig, en heeft een sneeuwwitten baard. In
gevangen staat zet hij een ernstig gezicht, en houdt zich
rustig. Hij is zacht en vertrouwelijk van aard. Ook is hij
zindelijk, en besteedt dagelijks veel tijd aan het in orde
brengen van zijn pels.
Bij twintig of dertig tegelijk kan men de Wanderoes in de
bosschen van hun vaderland bezig zien met het zoeken van
bessen en noten. Zelden ziet men ze op den grond, anders
dan om de zaden of vruchten te verzamelen, die van de
boomen gevallen zijn.
Als zij gestoord worden, nemen zij groote sprongen; maar
over 't algemeen komen zij niet zoozeer door springen vooruit,
als wel door zich van tak tot tak te slingeren.
Soms ziet men ze zich nederwerpen, om den afhangenden
tak van een boom op een afstand te grijpen. Door hun
zwaarte en kracht doen zij eerst den tak buigen, en dan
weder tot een aanzienlijke hoogte opspringen. Bij de terug-
springing wordt ook de aap opgeheven, zoodat hij een hooger
tak kan grijpen en aldus zijn tocht voortzetten, 't Is een
zonderling gezicht deze dieren zulke kunstgrepen te zien uit-
voeren, ook al worden zij hierin door hun jongen belem-
merd. Die kleine dieren klemmen zich, als zij springen,
aan de oudere apen vast, en slingeren zich van boom tot
boom, tot zij zich binnen in het bosch buiten gevaar be-
vinden.
Apen kunnen vliegen noch zwemmen, maar soms steken
zij rivieren over, door op zonderlinge wijze van hun licha-
men bruggen te maken. De eene aap grijpt een boom op
den oever eener rivier vasi; een tweede aap grijpt den eer-
ste; een derde houdt zich vast aan den tweede; een vierde
doet dit aan den derde; en zoo voort, tot een keten van
vijf of zes apen gevormd is, die ieder hun buurman vast-