Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
zilverwit haar en afgesleten tanden hun hoogen leeftijd aan-
duiden. De reiziger, van wien wij gesprolsen hebben, zag
een dier apen zich 's avonds ter ruste begeven. De aap klom
tot aan zijn huis, zette zich heel aardig op een tak onder
het prieel, met zijn pooten vast op den boom geklemd. Op
deze wijze sliep hij.
Op zekeren dag ving die reiziger een jong aapje van deze
soort. Dat beestje was slechts een voet lang en nog zeer jong,
maar kon toch al loopen. Eenige dagen later was het reeds
heel tam, en leerde uit zijns meesters hand eten. Het at
beschuit en gekookte rijst, en het dronk geitemelk. Het
hield veel van zijn meester, en werd gaarne geliefkoosd.
Maar met dat al bleek het een groote dief te zijn: wanneer
de jagers hun hutten verlieten, sloop de aap gewoonlijk
binnen, en stal vruchten en visch weg. Dit kwam hem wel
gedurig op zweepslagen te staan, maar die maakten hem
niet eerlijk. Hij bleef een dief tot aan zijn dood.
Het jonge aapje proefde gaarne van zijns meesters koffie,
maar wilde er niet van drinken, als er geen suiker in was.
't Was zijn lust met de Negers te eten; en terwijl zij aan
een tafel met gekookte rijst of vleesch zich tegoed deden,
was het beestje gewoon zich op dezelfde wijze aan eten te
helpen, als zij deden. Xa zijn !j;evangenneming leefde deze
aap vijf maanden, maar op zekeren morgen was hij ziek;
men bracht hem allerlei boschbessen, doch hij weigerde ze
te eten. Den volgenden dag stierf hij tot groote droefheid
van de Negers en van zijn meester.
Op het schoone eiland Ceylon, in de Indische Zee, wordt
een bevallige, kleine aap gevonden, die de lieveling is van
Europeanen en inboorlingen beiden. De inlandsche toove-
naars leeren hem dansen, en dragen hem op hun reizen van
dorp tot dorp. Zij kleeden hem potsierlijk aan, en iaten
hem overal zijne grappen vertoonen.
In wilden staat doet deze aap schade .lan de korenvelden,