Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
van den hertog van Brunswijk, die zulk een overwicht op
zijn jongen kweekeling wist te verkrijgen, dat hij voor dezen
onmisbaar werd.
Op achttienjarigen leeftijd trad Willem als Stadhouder op,
doch beging de onvoorzichtigheid, van de Staten van Hol-
land een acte van aanstelling als Stadhouder te vragen.
Door dit verzoek erkende hij de Vaderen des Vaderlands
voor zijn wettige Overheid. De Prins had geen aanstelling
van noode: hij was Erf-stadhouder geboren. De Staten van
Friesland begrepen dit, en gaven dus geen aanstelling aan
een geboren Stadhouder.
Den 4(ieu October 1767 trad de Prins in het huwelijk met
Prinses Frederika Sofia Wilhelmina van Pruisen. Prachtige
feesten, illuminaties en vreugdebetooningen hadden ter eere
van het hooge Echtpaar plaats; en niemand vermoedde, dat
dezelfde personen, die nu onder zooveel gejuich hun intocht
in Den Haag deden, eenige jaren later zich gedwongen zouden
zien, die plaats te ontvluchten.
Wij slaan nu verscheidene jaren over, en noemen in eens
15 September 1785.
Een paar reiskoetsen verlaten 's-Gravenhage. De eene
brengt den Prins naar Breda, en in de andere zitten de
Prinses en haar kinderen, die Franeker willen bezoeken. Op
't Loo hopen allen weêr bij elkander te komen, om verder
den winter te Nijmegen door te brengen.
Dat reisje was geen pleiziertochtje. De Staten van Holland
hadden den Stadhouder als zoodanig verscheidene wettige
rechten ontnomen. De Staten zeiden, dat zij de Souvereinen
waren, en kortwiekten het stadhouderlijk gezag. Daarop
verliet de Prins de residentiestad.
't Was toen een slechte tijd. Velen wilden in Staat en
Kerk alles, wat oud en eerwaardig was, omverwerpen, en
een nieuwen toestand in 't leven roepen. Het lezen van