Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
zij een sterk borstbeen, waarmede zij zich op de vogels laten
vallen, ten einde deze door dien stoot te bedwelmen, en
daarna des te gemakkelijker te vermeesteren. Na dezen eer-
sten aanval zijn zij gewoon, hun prooi, zoo mogelijk, de
oogen uit te pikken. De oogen houden zij voor de grootste
lekkernij , en bij gemis daarvan kan
de tegenpartij zich moeilijk langer
verdedigen.
Tot beveiliging tegen deze ge-
vaarlijke vijanden schiep God de
oogen van roofvogels en alle andere
roofdieren zoodanig, dat zij geen
fel licht kunnen verdragen, waarom
zij doorgaans enkel des avonds en
des nachts op roof uitgaan. Op
dien tijd bevinden de andere dieren
zich, als voor die vijanden ver-
scholen, in hun nesten en holen; terwijl zij des-daags minder
gevaar loopen, omdat hun vervolgers zich dan het meest
schuil houden, en niet op buit uitgaan, indien de honger
hen niet dwingt van hun regel
af te wijken. Ook voor den
mensch is dit een beveiligings-
middel. Plaatst men zich bij
een vlammend vuur of een
brandende lantaarn, of slaat
men vonken uit een vuursteen,
dan zullen verscheurende dieren
niet licht een aanval wagen.
Kreeften en krabben verde-
digen zich met hun scharen of
nijptangen, die zij in tijd van
nood kunnen loslaten of af-
werpen, waarvoor zij dan nieuwe
in de plaats bekomen.