Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
„Jou man was in 't eerst toch ook goed; is 't niet?"
„Ja, eerst wel, maar mijn man is geheel ten kwade veranderd,
en de hare is steeds beter geworden. Wij zijn beiden op éen
dag getrouwd; en zie nu eens, welk een verschil tusschen ons:
ik bezit niets, en zij heeft twee varkens op 't hok en een____"
„En een aardige partij vlas, die zij verleden winter spon,"
zei de melkboer, „en een zondagsche japon van groene stof,
zoo mooi als je maar wenschen kunt; en een prachtigen
zijden boezelaar; en een rooden borstrok voor haar man,
met drie rijen blauwe knoopen; en een paar zijden spek en
een rist uien op zolder."
„O, wat gaat het die vrouw vóór den wind!" riep Belia uit.
„Ja, en dan heeft zij nog een theeblad met Daniël in den
leeuwenkuil er op, en een flink kind in de wieg," vervolgde
de melkboer.
„Nu, het laatste misgun ik haar niet," zei Belia norsch,
„wij hebben geen kinderen, en hebben het toch voor ons
tweeën, mijn man en ik, reeds schraal genoeg."
„Wel, vrouw, is jou man dan niet aan 'twerk?"
„Neen; hij is in de herberg."
„Hoe komt dat? Vroeger gebruikte hij bijna geen drank.
Kan hij geen werk krijgen?"
„Zijn laatste heer wilde hem niet houden, omdat hij er
zoo haveloos uitzag."
„Hm! hm! hij is heerenknecht, niet waar? — Maar je
buurvrouw hierover gaat goed vooruit. Geen wonder ook!
Ik heb met eens anders geheimen niets te maken; maar als
ik den tijd had, zou ik je wel kunnen zeggen, waarom het
je overbuurtjes zoo goed gaat. Maar ik moet weg."
„Och, ga niet," riep Belia. „Ga niet! Och, zeg mij eens,
waarom het geen wonder is, dat Leentje zoo vooruitkomt!"
„Ge weet wel, dat ik mij met eens anders doen niet bemoei,
maar dit durf ik zeggen: 't is geen wonder, dat menschen
vooruitkomen, die een dienstmaagd hebben, — en dan nog
wel een, die hard werkt, en die ze altijd helpt."