Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
Een menner, geklemd op den nek, houdt het leisel;
Twee reepen van ijzer bestemmen zijn spoor,
't Gaat boven de daken, 't gaat onder 't plaveisel,
Nu afgronden over, dan rotswanden door.
En koning en knecht, o gezegend aanschouwen!
Gaan samen éen weg door de hoogte en het diep,
Als broeders vereend en gerust in 't vertrouwen
Op 't menschlijk genie en — dien God, die het schiep !"
(J. J. L. Ten Kate.)
IX.
De éeiioogige Dienstmaagd.
In een zijstraat van ons dorp staan ter weêrszijden van
den weg twee nette huisjes. De ramen ervan zien er helder
uit, en de wijnstok tegen den muur staat heel lief. Een
jaar geleden had een dier huisjes nog een allerellendigst
voorkomen; het was zoo vuil mogelijk, en slordiger vrouw
dan de bewoonster was, hebt gij zeker zelden gezien.
Op zekeren dag zat Belia — zoo heette die vrouw — aan
de deur harer woning met de armen over elkander, alsof zij
diep in gedachten verzonken was. Haar jak was gescheurd
en armoedig; haar schoenen waren versleten; het gordijntje
voor haar raam zag er geel en verfrommeld uit; kortom,
alles sprak van armoede en achteloosheid.
„Goeden morgen, vrouw!" riep de melkboer. „Mooi weêr
van daag! Waarom zie je zoo strak naar den overkant?"
„Ik kijk naar 't huisje van mijn buurvrouw," zei 't vrouwtje.
„Wat? Van Leentje, de vrouw van Joris, den tuinman?
Nu, zij bewoont een aardig huisje. Je kunt aan alles wel
zien, dat het dien menschen goed gaat, vind je niet?"
„'t Is haar altijd meêgeloopen," zei Belia, „en liaar man
is altijd goed voor haar."