Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
zekeren dag op een ketel met kokend water te turen. Hij
hield een lepel voor den damp, die uit de tuit vloog. Zijn
tante meende, dat hij ledig zat, en zeide: „Is het geen
schande, dat gij uw kostbaren tijd zoo verbeuzelt?" Maar
James was niet lui of ledig; hij dacht na over de kracht
van den stoom. En toen hij tot een man was opgewassen,
werd hij beroemd wegens de groote verbeteringen, die hij
aan de stoommachine aanbracht, en die haar tot in onzen
tijd van zooveel nut hebben doen zijn.
Wat kan een stoommachine al niet doen!
Zij trekt, zij pompt, zij vernielt, zij heit, zij graaft, zij
snijdt, zij zaagt, zij schaaft, zij boort, zij blaast, zij smeedt,
zij klopt, zij vijlt, zij spint, zij weeft, zij munt, zij drukt,
zij doet rijzen en dalen, zij legt gronden droog, en doet
meer dan ik kan zeggen.
Denken en nadenken zijn kostelijke bezigheden. Vóór den
Markies van Worcester en vóór den kleinen James Watt
hadden millioenen menschen ketels met kokend water ge-
zien; maar hoe weinigen van hen hadden nagedacht over
de beteekenis van den stoom en over het gebruik, dat men
van den damp van kokend vocht zou kunnen maken!
„Daar hoort ge den fluitenden stoomketel koken,
Waaruit de beweegkracht dier werktuigen stoomt.
Straks zwoegend en stampend met de ijzeren knoken.
Alsof hun een adem des levens doorstroomt.
Daar dobbert de boot, die, geen zeilen ontplooiend.
Door 't vliegende schuim met twee raderen klept;
Een zwaan, die, den vijver met pluimdons bestrooiend,
In statigen maatslag de zwempooten rept!
Daar ratelt de trein, met de kracht der orkanen,
Een vuurspuwend monster der fabel gelijk.
Hoe tuimlen de boomen! hoe wervlen de lanen!
Hoe nemen de steden al dansend de wijk!