Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
Zij bidt met hem.
Jan zucht en weent, en straks als de Juffrouw weg is,
TOuwt hij de handen en bidt. Wat bidt hij ? — We kunnen
'hem niet verstaan; slechts zijn lippen bewegen zich, want
€r liggen nog meer kranken en gewonden in de zaal. Maar
"dat hindert ook niet. De Heere verstaat wel, wat Jan bidt,
en dat is genoeg.
Een jaar gaat voorbij. Op zekeren nacht hoort men roepen :
„Brand! brand! brand!" Onze Jan schrikt wakker, en zegt
tot zijn moeder; „Houd u stil, blijf liggen: ik zal wel eens
gaan zien, waar het is." Hij kleedt zich haastig aan, niet
• met de lompen van verleden jaar, maar met een knap pakje,
dat hij van die goede Juffrouw gekregen heeft, toen hij het
gasthuis verliet. Hij komt buiten, en loopt de brandweer
na: éen straat, nog éen — daar heb je 't! Uit een, door
meerdere gezinnen, bewoond huis, slaan de vlammen reeds
naar buiten. De brandspuit is nog niet in werking. Dikke
rookwalmen verhinderen de bewoners te vluchten. Jan ziet
dat, en daar hij er vroeg bij is, ziet hij het huis aan, en
roept eensklaps: „Ach, zij woont daar!" — „Wie?" vraagt
iemand, die naast hem staat. „Zij, o zij!" is 't eenig antwoord
van onzen knaap. „Zy moet gered!" Door den verstikkenden
rook heen vliegt hij de trappen op. In een ommezien is
hij boven. Hij rent de hem wel bekende kamer binnen, ziet
rond, en bemerkt aldra, wie hij zoekt. Zij ligt in zwijm.
Misschien is zij reeds stervende! Neen, hij wil en zal haar
redden. Hij alleen kan haar niet dragen, maar er staan al
•een paar handen gereed, om hem te helpen. Daar gaat het
heen; niet heel voorzichtig, maar des te haastiger, want
daar is geen tijd te verliezen. Twee, drie minuten van
angstige spanning en overspanning, en — zij is gered! Zij
is veilig in de frissche buitenlucht, en vervolgens op het
-bed eener vriendin, die aan 't einde der straat woont.
De omstanders zijn getrofien door de zeldzame onverschrok-