Boekgegevens
Titel: De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Deel: 1e stukje
Auteur: Veenendaal, E.J.; Zanten, Jacob van
Uitgave: Utrecht: Kemink & Zoon, 1891 *
3e dr; 1e dr.: 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8642
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202057
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De moederplant: leesboek voor de hoogere klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
•zelfverdediging; en komt een slang in een huis, dan trachten
zij haar in een zak te krijgen, en dragen haar daarin verre weg.
De brilslang bijt alleen, wanneer zij getergd wordt; en dan
kondigt zij haar voornemen aan, door haar nek op te blazen,
Iiaar kop van den eenen kant naar den anderen te bewegen,
met haar oogen te fonkelen, en een luid gesis te doen hooren.
Dit alles gebeurde op dat oogenblik; en de soldaat, die
niet anders verwachtte, dan dat de slang op hem aan zou
vallen, maakte zich zoo snel mogelijk uit de voeten. Hij
liep, tot hij buiten adem was, en bevond zich toen in een
meer open deel van het l)0sch.
Een aantal omgevallen lioomen lagen op den grond; 't scheen,
dat een orkaan ze losgerukt en daar neêrgeslingerd had. Dit
was juist een uitgekozen plekje voor slangen; een groote
menigte van allerlei soort en kleur kroop dan ook tusschen
de stammen rond. Zij spoedden zich, zoo snel zij konden,
weg, en verdwenen onder de takken; maar de verdoolde
bleef toch stilstaan, en durfde geen stap verder.
Een groote bruingele slang, zoo dik als een manslijf en
■een twintig voet lang, lag uitgestrekt op den grond. Zij
lichtte haar kop op, en keek den bezoeker scherp aan. Het
was de verschrikkelijke Python, van welke zooveel wonder-
baars verteld wordt. Zij kan zich om een hinde of een
ander dier kronkelen, en het binnen weinig oogenblikken
dooddrukken.
De soldaat, die deze slang even goed als de andere kende,
verlangde zeer buiten haar bereik te komen. Bedachtzaam
sloop hij terug; zoo zacht mogelijk stapte hij op de omge-
vallen stammen, terwijl hij telkens vreesde door deslangen,
die daartusschen scholen, gebeten te zullen worden.
Thans kwam hij echter, tot zijn groote blijdschap, aan de
oevers eener rivier. Dat gezicht schonk hem nieuw leven.
Nu kon hij ten minste zijn dorst lesschen en de slapen zijns
hoofds betten. Door den loop der rivier te volgen, hoopte
hij inboorlingen te ontmoeten, of buiten het woud te komen.