Boekgegevens
Titel: Volledige leercursus der Fransche taal door J.N. Valkhoff
Auteur: Valkhoff, J.N.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1890
13e, herz. druk
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1170
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202048
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Volledige leercursus der Fransche taal door J.N. Valkhoff
Vorige scan Volgende scanScanned page
1
13
Vijfde Les.
Leer 't volgende, dan kent gij den tegenw. tijd of présent van
het werkw. hebben of avoir.
Wij hebben,
gij hebt,
zij (mannen) hebben,
zij (vrouwen) hebben,
Jan,
Willem,
Marie, Mietje,
Antje,
Jan heeft.
Jan en Marie hebben,
gegeten,
nous avons,
vous avez,
ils ont.
elles ont.
y^ean.
Guillaume.
Marie.
Annette,
yean a.
yean et Marie ont.
mangé.
Nu zullen we een vrouwelijk naamwoord in 't Fransch verbuigen,
't woord sœur, zuster.
Enkelvoud, Singulier.
Vrouwelijk, Féminin.
le nv. de zuster, la sœur.
26 nv. der zuster of van de zuster, de la sœur.
3e nv. de(r) zuster of aan de zuster, à la sœur. .
4e nv. de zuster, la sœur.
Deze verbuiging is geheel regelmatig; er heeft geene samentrek-
king plaats zooals bij 't manlijk. Van en aan worden door de en à
uitgedrukt, het lidw. la blijft onveranderd.
Verbuig op dezelfde wijze: la reine, la voisitie, la viande, la
vache en la chambre, de kamer.
Maak nu de volgende opstellen:
De zuster van eene koningin. De zuster der ko-
ningin. Maria, de zuster der koningin. Jan, de broe-
Ik heb de zuster der buurvrouw
der des konings.