Boekgegevens
Titel: Leesboekje voor eerstbeginnenden
Deel: No. 8
Auteur: Ufkes, H.A.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J.zoon, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8591
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202043
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboekje voor eerstbeginnenden
Vorige scan Volgende scanScanned page
8
6.
WATERVOGELS.
Eenden, ganzen en zwanen noemt men
watervogels; weet gij wel waarom?
De eenden geven ons eijeren, even als de
hoenders.
Loopen kunnen de eenden niet best, maar
zwemmen en vliegen kunnen zij zeer goed.
Als zij in het water zwemmen, duiken zij
gedurig met den kop naar beneden. Waar-
om doen zy dit?
De gans is een groote vogel.
Van de gans krijgen wij pennen om er
mede te schrijven, en veeren voor onze
bedden en kussens.
Als de gans vet is, dan wordt zij wel
geslagt, en dan is zij zeer lekker om te
eten. —
De zwaan is nog grooter dan de gans.
De zwaan zwemt altijd in het water, maar
zij kan toch ook goed vliegen.
De zwaan geeft ons ook pennen, maar
die zijn zoo goed niet om er mede te
schrijven, als de pennen van de gans.