Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
Kent men dus de lengte van een slinger, benevens den tijd, dien
hij noodig heeft om eene slingering te volbrengen, dan kan men
daaruit de snelheid van een vrij vallend licluiam na de eerste seconde
berekenen, en wel veel nauwkeuriger, dan zij uit de verschijnselen,
hetzij bij den vrijen val, hetzij bij den toestel van Atwood, kan
worden afgeleid. Deze bepalingen zijn met de grootste zorg in het
werk gesteld, eerst door de Borda en Cassini (1790) met een slinger
van ongeveer 4 meter lengte, en naderhand door Biot (1808) met
een kleineren van slechts 76 centimeter. Uit hunne waarnemingen,
zoowel als uit die van Arago en von liumboldt (1818), bleek, dat
de waarde van g te Parijs 9,8088 meter bedraagt.
Deze waarde nauwkeurig bekend zijnde, kan men daaruit de
lengte berekenen, die een enkelvoudige slinger zou moeten hebben
om juist in eene seconde eene slingering te volbrengen; door name-
lijk te stellen, vindt men / = = 0,9930 meter.
Huygens heeft de lengte van den secondeslinger als eenheid van
lengtemaat voorgesteld. Wij zullen echter zien, dat die lengte
niet op alle plaatsen dezelfde kan zijn, en dus dat karakter van
onveranderlijkheid mist, dat noodig is om steeds een vasten maat-
staf te hebben.
Opmetingen, sedert 1709 op verschillende plaatsen der aarde in
het werk gesteld, hebben doen zien, dat de aarde geen bol is, maar
dat zij aan de polen afgeplat is, zooals men reeds in de 17® eeuw
op grond van andere waarnemingen vermoed had. De grootte dier
afplatting, waarvan wij hiervóór (33) reeds melding hebben ge-
maakt, bedraagt ongeveer De oorzaak van de afgeplatte
gedaante der aarde moet gezocht worden in hare wentelende bewe-
ging om hare as. Men mag het toch als waarschijnlijk aannemen,
dat de aarde vroeger in een vloeibaren toestand verkeerd lieeft;
door de middenpuntvlieding moesten die deeltjes, die het verst van
de as verwijderd waren, zich meer dan de dichterbij gelegene van
die as trachten te verwijderen; van daar eene uitzetting aan den
evenaar en eene afplatting aan de polen. Plaatst men eene weeke
bolvormige massa midden op een vlak, dat schielijk wordt in de
rondte gedraaid, dan zal men bevinden, dat deze eene dergelijke
afgeplatte gedaante aanneemt.
Het onmiddellijk gevolg van de afplatting der aarde is, dat niet