Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
04
3^ Daar iu de formule de lengte van den doorloopen
boog niet voorkomt, blijkt het, dat de slingertijden onaf-
hankelijk zijn van de slingerwijdte, mits deze gering
blijft. Evenmin is de slingertijd afhankelijk van de
massa van het stoffelijk punt.
Deze wetten laten zich proefondervindelijk aantoonen; want hoe-
wel een enkelvoudige slinger alleen in onze verbeelding kan bestaan,
zoo kunnen wij toch, door een zwaar balletje aan een dunnen
draad op te hangen, een slinger maken, die weinig er van verschilt.
Hangt men zoodanige slingers naast elkander, waarvan de een be-
staat uit een looden, een tweede uit een steenen en een derde
uit een kurken bal, doch alle van gelijke lengte, dan zal men zich
gemakkelijk kunnen overtuigen, dat de massa geen invloed op den
duur der slingeringen uitoefent. Geeft men aan een zelfden slinger
achtereenvolgens verschillende slingerwijdten, daarbij zorg dragende
deze niet al te groot te nemen, dan zal men zien, dat hij zijne
slingeringen steeds in denzelfden tijd volbrengt, en dat de slinge-
ringen dus isochroon, dat is van gelijken duur zijn. Neemt men
eindelijk twee slingers, van welke de een viermaal langer is dan de
andere, dan zal men bevinden, dat de eerste eene slingering vol-
brengt in het dubbel van den tijd, dien de tweade noodig heeft; maakt
men den eersten negenmaal langer dan de tweede, dan zullen de
slingeringen driemaal langer duren.
Op de toepassing der tweede wet komen w^ij later terug. De
wetten van den slinger werden ontdekt door Galilei (1602 .
45. Zamengestelde slinger, — Wanneer een lichaam slingert
om een zijner punten of om eene horizontale as en dus een zamen-
gestelden sl nger uitmaakt, dan zullen de verschillende deeltjes
niet op dezelfde wijze kunnen slingeren, als wanneer zij geheel vrij
van elkander waren. Immers de deeltjes, die zich het dichtst bij
het ophangpunt bevinden, zouden, krachtens de zoo even bewezen
wet, in veel korteren tijd eene slingering volbrengen dan die,
welke er verder van verwijderd zijn. Het gevolg hiervan zal wezen,
dat de verst afgelegen deeltjes oorzaak zijn van eene vertraging bij
die, welke dicht bij het ophangpunt gelegen zijn, terwijl omgekeerd
deze laatste bewerken, dat de eerste schielijker slingeren dan zij,
geheel vrij zijnde, zouden doen. Het geheele lichaam geraakt echter