Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
echter niet gelegen in eene verschillende werking der zwaartekracht,
maar alleen in den weerstand van de lucht. Men kan zich hiervan
overtuigen door de proef in het luchtledige te doen. Te dien einde
wordt uit eene lange glazen buis, door middel van de zoogenaamde
luchtpomp (die wij eerst later zullen leeren kennen), de lucht ver-
wijderd; laat men nu daarin te gelijk een steentje en een veertje
vallen, dan zal men zien, dat zij gelijktijdig op den bodem komen.
Alle lichamen vallen dus in het luchtledig even snel.
Dat dit het geval moet zijn, blijkt ook uit de volgende rede-
neering. Wij hebben vroeger gezien, dat zoowel de aantrekkings-
kracht als de middenpuntvliedingskracht evenredig zijn aan de
massa van het lichaam, waarop zij werken. Hieruit volgt, dat
ook de resultante van beide, de zwaartekracht, daaraan evenredig
zal zijn; en, zooals wij hebben gezien (22), krachten, die evenredig
zijn aan de massa's, deelen daaraan gelijke versnellingen mede.
Het is, blijkens het voorgaande, noodig bij de verschijnselen, welke
wij bij de vallende lichamen in de lucht waarnemen, rekenschap
te houden van den weerstand, dien de lucht daarop uitoefent. De
volgende wetten hebben echter betrekking op den vrijen val in
het luchtledige.
Daar de zwaartekracht gedurende den geheelen tijd, dat een
lichaam valt, op dezelfde wijze blijft werken, zoodat wij haar
als standvastig kunnen beschouwen, zal ook de snelheid in gelijke
tijden eene gelijke vermeerdering moeten ondergaan. Wanneer
een vrij vallend lichaam, na gedurende eene seconde gevallen te
zijn, eene snelheid g heeft verkregen, zal die snelheid na verlooj»
van elke seconde met eene gelijke hoeveelheid vermeerderen ; de
snelheid na 1, 2, 3, 4,____t seconden wordt dus uitgedrukt door
g, 2^, 3^, 4^,____tg. De verkregen snelheden zijn dus
evenredig aan de tijden, welke sedert het begin van den
val verloopen zijn. Is s/de snelheid, die het lichaam na ^ secon-
den verkrijgt, g die na de eerste seconde, dan is, even als hier-
vóór (19),
v^gt.
(1)
De beweging van een vrij vallend lichaam is dus eene
eenparig versnelde beweging. De versnelling wordt voor-
gesteld door g, zooals reeds hiervóór (22) is aangenomen.