Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
vermogen verkregen om gedurende eenigen tijd den slinger in be-
weging te houden, dat is om arbeid te verrichten. Wordt de
veer van een uurwerk opgewonden, dan wordt daardoor die veer in
een toestand gebracht, die haar evenzeer in staat stelt om arbeid
te verrichten. Men drukt dit uit door te zeggen, dat het heiblok,
het gewicht en de veer van het uurwerk arbeidsvermogen
verkregen hebben of bezitten. De hoeveelheid van het arbeidsver-
mogen wordt aangewezen door het aantal arbeidseenheden, die door
het lichaam, hetwelk dat vermogen bezit, konden worden verricht.
Het is voorts duidelijk, dat dit arbeidsvermogen in het lichaam
bewaard blijft, zoolang het geen gelegenheid heeft om arbeid te
verrichten. Op dien grond kan ieder zwaar voorwerp, dat zich op
zekere hoogte bevindt, en dus gelegenheid heeft om zich naar eene
lagere plaats te bewegen of te vallen, beschouwd worden als voor-
zien van arbeidsvermogen. De grootte van dit arbeidsvermogen
zal worden uitgedrukt, door het gewicht te vermenigvuldigen met
den weg, dien het in verticale richting benedenwaarts kan door-
loopen. Daar het afhankelijk is van de plaats , welke het in rust
zijnde lichaam inneemt, en zich eerst uit, als de beletselen tegen
beweging uit den weg zijn geruimd, duidt men dit arbeidsver-
mogen aan als arbeidsvermogen van plaats. Het heiblok,
het gewicht en de veer van het uurwerk bezitten dus alle in den
hiervóór aangewezen toestand een arbeidsvermogen van plaats.
Maar ook onder andere omstandigheden kan een lichaam arbeids-
vermogen bezitten, namelijk, wanneer het in beweging is. Wanneer
ik bijv. een lichaam van vijf kilogram verticaal naar boven werp,
dan deel ik aan dat lichaam, op het oogenblik dat ik het loslaat,
een zeker arbeidsvermogen mede, dat het in staat stelt zijn eigen
gewicht, tegen de werking der zwaartekracht in, tot een zekere
hoogte op te heffen en derhalve een arbeid te verrichten; is het in
staat twee meter in de hoogte te stijgen, dat heb ik aan dat lichaam
een arbeidsvermogen van 10 km. medegedeeld. Dit noemt men
dan arbeidsvermogen van beweging. Een lichaam heeft
dus arbeidsvermogen van beweging, wanneer het snelheid heeft.
Naar mate het hooger stijgt en dus door verplaatsing van het
aangrijpingspunt der kracht, hier zijn eigen gewicht, arbeid verricht,
vermindert zijn arbeidsvermogen van beweging. In het hoogste
punt gekomen, waar het geen snelheid meer bezit, is het arbeids-