Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
309
zijn onaangenaam voor het gehoor, en het laat zich dus gemakkelijk
inzien, dat tonen, die tot zoodanige stooten aanleiding geven,
bepaald als dissonanten zijn te beschouwen. Als de stooten el-
kander spoediger opvolgen, zoodat men ze niet juist meer onder-
scheiden of tellen kan, dan blijft toch nog de onaangename indruk
bestaan; dan eerst gaat die over, wanneer het interval tusschen de
beide tonen, en dus het verschil der trillingsgetallen, aanzienlijk
grooter wordt. Komt men aan den geheelen toon ^^^^'
de indruk al iets minder onaangenaam; tusschen den grondtoon A
van 435 trillingen en den daarop volgenden toon B van 489 trillingen
is reeds een verschil van 54 trillingen, welke men, volgens de
waarnemingen van Helmholtz, niet juist meer als stooten kan
erkennen. Gaat men over tot de kleine terts ' welke met
522 trillingen overeenkomt, dan bedraagt het verschil reeds 87;
hier worden geen stooten meer waargenomen en het gelijktijdig
klinken van beide tonen maakt reeds een aangenameren indruk.
Uit dit een en ander volgt, dat alle kleine intervallen, bepaald
de groote en kleine seconden, de kruisen en mollen, als dissonanten
moeten worden beschouwd. Tevens vinden wij hierin eene verkla-
ring, waarom sommige tonen, tusschen welke het interval veel
grooter is, toch nog als dissonanten kunnen klinken. Dit is bepaald
het geval met den grondtoon en de septime, waarvan de trillings-
getallen worden aangewezen door 1 en De tonen toch, welke
O
als zoodanig worden voortgebracht, zijn zamengestelde tonen, daar
zij van verschillende harmonische tonen vergezeld gaan. Met den
grondtoon 1 hoort men tevens de hoogere octaaf 2, die met de
15
septime — slechts een halven toon verschilt; huüne trillingsgetallen
O
verhouden zich als 15 : 16, hetwelk een interval van een halven
toon aanduidt en dus tot dissoneeren aanleiding moet geven. Strikt
genomen zijn dus niet de grondtoon en de septime dissonanten,
maar wel de septime en de eerste harmonische toon van den grond-
toon, die dezen steeds vergezelt.
Ook het volkomen consoneeren blijkt evenzoo uit de cijfei'S der
liarmonische tonen. Daar de harmonische tonen van de octaaf alle