Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
29ß
ondergaat aanzienlijke versterking; de 3de en 4de zijn echter ook merk-
baar. De E ontstaat door de opening nog grooter en de mondholte
kleiner te maken; daardoor wordt de 3de toon versterkt, zonder dat
echter de geheel verdwijnt. Om den klank/voort te brengen moet
de mondholte aanmerkelijk verkleind worden; de grondtoon en de 3de
zijn dan zwak, de 2de en vooral de 4de toon (de dubbele octaaf) zijn
sterk. Bij den klank A zijn het in de eerste plaats de hoogere
harmonische tonen, vooral die door 5 en 7 voorgesteld, welke zich
boven de lagere en den grondtoon doen hooren.
De verschillende klanken der klinkletters blijken ook duidelijk
door hunnen invloed op eene zeer lange gasvlam, die met kracht
uit eene ronde opening komt, zooals Tyndall heeft aangetoond. De
klank OE oefent geen invloed uit, O slechts weinig, 1 meer; de
klank A doet de vlam tot een derde van hare oorspronkelijke lengte
verminderen. Dit verschijnsel is geheel in overeenstemming met de
bovenvermelde eigenschap (150) der vlammen van juist aan de tril-
lingen, door hooge tonen veroorzaakt, het meest gevoelig te zijn.
153. Het menschelijke gehoororgaan. — Eene uitvoerige
beschrijving van het gehoororgaan zou hier evenmin op hare plaats
zijn als van het stemorgaan; wij bepalen ons dus tot eene korte
aanwijzing van de wijze, waarop het geluid wordt waargenomen.
Het oor bestaat uit drie deelen: het uitwendige, het middelste en
het inwendige. Het uitwendige bevat de zoogenaamde oorschelp
en den ge hoorweg, een kanaal dat van buiten tot aan het
trommelvlies geleidt. Achter dit vlies bevindt zich het middelste
deel, dat bestaat uit eene holte, gehoortrommel genaamd,
waarin eene buis uitkomt, die de lucht daarbinnen in gemeenschap
brengt met de neusholte en de keel en derhalve met de buiten-
lucht; de trommel is van het daarachter'gelegene gedeelte gescheiden
door een beenig gedeelte, waarin zich twee openingen of ven-
sters bevinden, de eene rond, de andere ovaal, beide door
dunne vliezen gesloten. Binnen in de trommel bevinden zich vier
kleine beentjes; het eerste, de hamer, rust tegen het trommel-
vlies; het tweede, het aanbeeld, is verbonden met den hamer;
een derde, het lensvormige beentje, verbindt het aanbeeld met
het vierde, den stijgbeugel, die juist bij het ovale venster
uitkomt. Achter het beenig gedeelte volgt het inwendige oor, de