Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
lichaam zich met eene eenparige beweging ^at, dan zou in den-
zelfden tijd dezelfde weg worden afgelegd, als in het geval dat
het eene eenparig versnelde beweging had met eene versnelling a.
Daar wij den doorloopen weg s bij eene eenparige beweging vinden
door het produkt van het getal t, dat het aantal seconden voor-
stelt, met de snelheid, zoo is:
20. Zamenstelling van beweging. — Indien een punt zich
gedurende zekeren tijd t beweegt langs eene rechte lijn van A naar
B (Fig. 4), terwijl deze lijn zich in denzelfden tijd, evenwijdig aan
hare oorspronkelijke richting, verplaatst in den stand CD, zoodat
Fig. 4. het uiteinde A zich langs AC beweegt,
dan zal het punt zich bij het einde van
dien tijd in D bevinden. Had het punt
zich niet bewogen langs AB, maar alleen
deelgenomen aan de beweging dier lijn,
dan zou het zich, aan het einde van den
tijd t, in C bevonden hebben. In het eerste
geval kan men zeggen, dat het punt
tegelijkertijd deelneemt aan twee be-
wegingen, de eene in de richting AB,
de andere in de richting AC; daaruit volgt dan de volgende
eigenschap: Wanneer een punt gedurende zekeren tijd
tegelijk deelneemt aan twee bewegingen, welker rich-
ting en grootte worden voorgesteld door de lijnen AB
en CD, welke een hoek met elkander maken, dan zal
het zich aan het einde van dien tijd bevinden op het
uiteinde van den diagonaal van het parallelogram , dat
die lijnen tot zijden heeft.
Zal het punt zich gedurende dien tijd ook bewogen hebben
langs die diagonaal? Wij zullen zien, dal dit slechts in een
paar gevallen plaats heeft.
Kemen wij in de eerste plaats het allereenvoudigst geval aan,
dat de beide bewegingen langs AB en AC eenparige zijn, dan
zullen wij gemakkelijk kunnen aantoonen, dat, wanneer een
punt gelijktijdig deelneemt aan twee eenparige be-
2