Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
288.
Behalve deze soort heeft men nog andere, waarbij het tongetje
ieta grooter is dan de opening, zoodat het niet, zooals het hier
afgebeelde, in deze heen en weer trilt, maar er tegenaan slaat.
De toon van die tongpij pen is minder aangenaam.
Op de opening o plaatst men eene kegelvormige of cilindrische
buis; door het medetrillen van de daarin bevatte luchtkolom onder-
gaat de klank van den toon eene aanzienlijke wijziging.
150. Medetrillen van eene luchtzuil of van vaste lichamen.—
Wij maakten zoo even de opmerking, dat door het medetrillen
van eene zekere luchtzuil de klank van den toon eene aanmerkelijke
wijziging kan ondergaan; reeds meermalen hebben wij op derge-
lijke gevallen gewezen, zooals bij de beschrijving van de stemvork
(141) en van den sonometer (143), in welke het geluid door mede-
trillen van vaste lichamen of van eene luchtzuil versterkt werd.
Wij moeten dat medetrillen nu nog van naderbij beschouwen.
Dat er inderdaad slechts sprake kan zijn van eene bepaalde
luchtzuil, blijkt uit hetgeen hiervóór (147) is gezegd over de
trilling van de lucht. Wij hebben toen gezien, dat eene bepaalde
luchtzuil slechts op enkele wijzen in trilling kan komen, waarbij
dan de golflengten in bepaalde verhoudingen staan tot de lengte der
zuil; komt nu de golflengte van den toon, door eene stemvork of snaar
ontstaan, met een dier onderdeelen overeen, dan zal de luchtmassa even-
eens in gelijke trilling kunnen geraken. Men kan dat door eene
eenvoudige proef aantoonen. Men neemt een hoog cilinderglas en
houdt eene trillende stemvork boven de opening; waarschijnlijk zal
men het geluid van de vork niet sterker vernemen dan wanneer
men die niet daarboven houdt. Schenkt men echter langzamerhand
water in het glas, dan zal er een oogenblik zijn, dat er eene aan-
zienlijke versterking van het geluid wordt waargenomen. Schenkt
men er nog meer bij, dan neemt de sterkte van den toon weder af.
Daaruit blijkt, dat voor eene bepaalde lengte van de luchtzuil
in het cilinderglas de lucht medetrilt en daardoor aan het geluid
eene aanmerkelijke versterking geeft. Neemt men eene stemvork met
een anderen toon, dan vindt men ook eene andere luchtkolom,
die met haar medetrilt. Nog duidelijker blijkt deze eigenschap
door den in fig. 164 afgebeelden toestel, A is eene metalen klok>
die men door een strijkstok geluid laat geven. De toon zal