Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
283.
neer men naast deze pijpen nog eene vierde van dezelfde afmetingen
doch welker wand uit dun papier vervaardigd is, geluid laat geven.
Laat men nu eene opene pijp, zooals de in fig. 161
afgebeelde, door een zachten luchtstroom geluid geven,
zoodat de laagste toon ontstaat, dien zij geven kan, en
houdt men het vliesje A op verschillende plaatsen daarin,
dan ziet men, dat niet overal de zandkorreltjes evenzeer
in beweging worden gebracht. De beweging is de sterkste
Baan de beide uiteinden; in het midden is de lucht in
rust. Er is dus in het midden een knoop en
aan de uiteinden zijn buiken; de lengte van
de pijp stelt dusjuist de lengte van eene halve
staande golf voor.
Gaan wij na, welke de toestand moet zijn van de lucht
in de knoopen en buiken. In de knoop zelve zijn de
luchtdeeltjes in rust; de moleculen, die zich aan weers-
zijden bevinden, hebben op hetzelfde oogenblik juist
tegenovergestelde bewegingen, hetgeen tengevolge moet
hebben, dat er door gelijktijdigen aanvoer of gelijktijdige
verwijdering van beide kanten afwisselend de aanzien-
lijkste verdichting en verdunning zal plaats vinden.
In alle andere punten, tusschen twee achtereenvolgende
knoopen gelegen, hebben daarentegen de nabij elkander
liggende deeltjes altijd eene beweging in dezelfde rich-
ting; wel kunnen zij aanmerkelijk van hunne evenwichts-
plaats verwijderd zijn, en in de buiken zeiven zal die
uitwijking zelfs de grootste zijn, maar in de verdichting
en verdunning zal minder afwisseling zijn dan in de
knoopen, omdat het verschil van die gelijk gerichte
uitwijkingen van twee nabij elkander liggende luchtdeeltjes slechts
gering zal zijn en het allergeringst op die plaatsen, waar zich de
buiken bevinden. Hieruit volgt dus, dat in de knoopen de ge-
ringste beweging wordt waargenomen, maar de meeste
afwisseling in dichtheid, in de buiken de sterkste be-
weging, doch de geringste afwisseling in dichtheid.
Men kan dit door verschillende proeven ophelderen. Men neemt eene
opene pijp, in welker wand men op de helft der lengte eene opening
heeft gemaakt, die door een schuifje of klepje kan gesloten worden.