Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
374.
vinger uit den toestand van rust te brengen, hetzij door met den
strijkstok er langs te strijken, dan zullen echter niet altijd alle
harmonische tonen ontstaan; dit hangt vooral af van het punt,
dat in beweging gebracht wordt. Uit de onderzoekingen van Young
blijkt, dat alle hoogere tonen, voor welke dat punt een knoop
zou moeten zijn, niet ontstaan. Wordt dus eene snaar in trilling
gebracht door met den vinger in 'tmidden er aan te trekken, dan
ontstaat er geen enkele der harmonische tonen, die door een even
getal worden voorgesteld; trekt men met den vinger op een derde
der lengte, dan verdwijnen alle tonen, voorgesteld door 3 en zijne
veelvouden. Hieruit volgt tevens, dat de harmonische tonen het
gemakkelijkst ontstaan, indien de snaar dicht bij een harer uiteinden
wordt aangestreken.
De zamengestelde en daardoor schijnbaar onregelmatige beweging
der deeltjes bij deze zamengestelde trillingen kan men aanschou-
welijk maken door aan de snaar een fijn stiftje te bevestigen, dat
de trillingen op de boven (142) beschrevene wijze op een zwart gemaakt
papier afteekent; men verkrijgt dan zeer zamengestelde golflijntjes.
145. Transversale trillingen van andere vaste lichamen;
staven, platen, klokken; figuren van Chladni. — Staven,
zoowel ronde als platte, kunnen even als snaren aan het trillen
worden gebracht. Het gemakkelijkst geschiedt dit door de staaf
aan het eene uiteinde stevig in eene klemschroef vast te klemmen
en dan met een strijkstok langs het andere uiteinde of langs den
kant te strijken. Het aantal trillingen is evenredig aan
de dikte en omgekeerd evenredig aan het vierkant der
lengte en aan den vierkantswortel uit de dichtheid.
Bij platte staven oefent de breedte geen invloed op het getal der
trillingen uit.
Bij trillende staven vormen zich evenzeer als bij snaren harmo-
nische tonen; vooral bij dunne metalen staven worden die waar-
genomen. Bij die, welke slechts aan één uiteinde bevestigd zijn en
dus nimmer een knoop aan het andere uiteinde kunner hebben, zijn
het alleen die tonen, welke door de onevene getallen 1, 3, 5, 7,..
worden voorgesteld. Zijn de staven aan of dicht bij de twee
uiteinden bevestigd, dan gelden dezelfde wetten; er kunnen echter
andere harmonische tonen ontstaan.