Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
270.
houten kist, waarover snaren kunnen worden gespannen, welker eene
uiteinde aan een ijzeren pennetje wordt vastgemaakt, terwijl aan het
andere, dat over een katrolletje n loopt, gewichten worden opge-
hangen, die aan de snaar eene grootere of geringere spanning
geven. De snaren loopen over de vaste houten blokjes A en D,
welker onderlinge afstand dus eigenlijk de lengte van de trillende
snaar aanwijst; door het losse blokje B er onder te plaatsen kan
men ook elders een vast punt maken en dus aan het trillend
gedeelte van de snaar elke verlangde lengte geven. Op de houten
kist zijn verdeelingen aangebracht. Brengt men de snaar door den
vinger uit haren toestand van rust en laat men haar dan los, dan
geraakt zij in trilling; die beweging deelt zich mede aan de houten
kist en de zich daarin bevindende lucht, en men verneemt dien-
tengevolge een zeer duidelijken toon. Men kan de snaar ook in
trilling brengen door er met een strijkstok langs te strijken.
Wil men zich overtuigen, dat inderdaad snaren op zich zelf bijna
geen waarneembaar geluid geven, dan kan men eene zelfde soort
van snaar, als die op den sonometer, ophangen aan een houten
latje, dat in horizontalen stand door een paar losse touwen aan
de zoldering verbonden is; spant men dan de snaar door er een
gewicht aan te hangen, dan verneemt men geen geluid als men
haar in trilling brengt; de touwen, die zich tusschen haar en de
zoldering bevinden, zijn niet geschikt om de trillende beweging
aan laatstgenoemde mede te deelen. Is de snaar onmiddellijk aan
de zoldering of aan een ander vast lichaam opgehangen, dan zal
men geluid vernemen, maar toch lang zoo duidelijk niet als bij
den sonometer.
Wij moeten nu nagaan, welke soort van trillingen wij bij ge-
spannen snaren waarnemen. De wijze, waarop zij ontstaan, duidt
terstond aan, dat wij hier met transversale trillingen te doen hebben,
die zich van het onmiddellijk in beweging gebrachte tot de andere
deelen der snaar voortplanten. Aan de uiteinden A en D evenwel,
waar de snaar bevestigd is, kan zich die beweging niet voort-
planten; zij wordt er dus teruggekaatst en wij hebben hier alzoo
te doen met het vroeger (129) behandelde geval van terugkaatsing
van trillingen tegen een vast uiteinde. Aan de beide uiteinden
moeten noodzakelijk knoopen zijn; het eenvoudigste geval is,
dat er tusschen die uiteinden slechts één buik ontstaat; maar