Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
254.
toepassing bij de spreekbuizen, waardoor twee personen, op
aanzienlijken afstand of in verschillende vertrekken geplaatst, zonder
hunne stem te verheffen met elkander kunnen spreken.
136. Hoogte, der tonen. — Van hetgeen men hoogte van een
toon noemt is het moeilijk eene bepaling te geven; ieder, die niet
ten eenemale van muzikaal gehoor ontbloot is, weet, als hij twee
geluiden of tonen hoort, te zeggen, welke van die twee de hoogste
is, ten minste als het verschil niet al te gering is. De hoogte heeft
niets te maken met de sterkte of met den klank van een toon.
Twee tonen kunnen zeer veel in sterkte verschillen en toch even
hoog zijn. Eveneens kunnen verschillende instrumenten, bijv. eene
klok, eene fluit, een snaarinstrument, tonen voortbrengen, die een
goed muzikaal oor terstond, in weerwil van het verschil in klank ,
als even hoog zal erkennen.
Eene hoofdwet van de geluidsleer is, dat alle tonen van
gelijke hoogte, onverschillig hoe zij voortgebracht
zijn, met eenzelfde getal trillingen overeenkomen.
De oorzaak van het verschil in hoogte is alleen te zoeken in de
snelheid der trillingen, dat is in het aantal trillingen, die in een
bepaalden tijd, bijv. ééne seconde, worden volbracht; hoe grooter
dit getal is, des te hooger is de toon. Het getal trillingen is echter
zoo groot, dat eene onmiddellijke telling niet mogelijk is. Wij
zullen de voornaamste middelen leeren kennen, waardoor men dat
getal heeft bepaald.
137- Middelen ter bepaling van het getal der triUin-
gen. — Een der vernuftigste werktuigen om de geluidstriUingen te
tellen is de zoogenaamde sirene van Cagniard de la Tour (1819),
welke in fig. 148 en 149 is afgebeeld. De sirene, doorgaans twee of
driemaal grooter dan de hier afgebeelde, is geheel van koper ver-
vaardigd en bestaat uit eene cilindrische doos O, die door eene
daaronder bevestigde buis verbonden wordt met een blaaswerk E
(zie later fig. 160), waarmede men een standvastigen luchtstroom
kan aanvoeren. Deze doos O is van boven door eene metalen plaat
B gesloten, waarin zich ronde gaatjes bevinden, die echter niet
loodrecht op het vlak van die plaat uitgehold zijn, maar in eene