Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
252.
zullen doen, naarmate zij meer veerkrachtig zijn; weeke lichamen
en geweven stoifen zijn daarom het minst daartoe geschikt en
worden gebruikt om het geluid zooveel mogelijk te beletten zich
voortteplanten.
Het is reeds gebleken, dat elk vast lichaam, dat geluid voort-
brengt, in trilling is. Om aan te toonen, dat ook de lucht, die
geluid overbrengt, in trilling is, houde men een dun op een houten
raampje gespannen papier, waarop men eenige zandkorreltjes ge-
strooid heeft, dicht bij een geluidgevend lichaam, zonder het evenwel
er onmiddellijk mede in aanraking te brengen; de zandkorreltjes
geraken dan terstond iu beweging. Die beweging ontvangen zij
van het gespannen papier, dat op zijne beurt die slechts van de
omringde lucht verkrijgen kan.
Wij kunnen ons thans rekenschap geven van de wijze, waarop
het geluid tot ons gehoororgaan komt. Het geluidgevend lichaam
brengt de lucht in trilling, en deze trillingen deelen zich mede aan
een vlies, dat zich binnen in het oor bevindt en het trommel-
vlies genoemd wordt; dit vlies geraakt daardoor ook in trilling,
en het zijn deze trillingen die, tot dc gehoorzenuw overgebracht, op
onze hersens den indruk teweeg brengen, dien wij geluid noemen.
134. Hoedanigheden van het geluid. — Indien wij op grond
van het voorgaande het geluid mogen beschouwen als de werking,
door trillingen op ons gehoororgaan gemaakt, dan volgt daaruit
onmiddellijk, dat al de eigenschappen, die wij in het eerste gedeelte
van dit Hoofdstuk hebben leeren kennen als eigen aan de trillende
beweging, ook bij de geluidstrillingen moeten worden waargenomen.
Alvorens dit in bijzonderheden na te gaan, moeten wij opmerkzaam
maken op de hoedanigheid van het geluid; immers er is groot onder-
scheid tusschen de verschillende geluiden, die men kan waarnemen.
Een geraas of gedruisch, een knal laat zich gemakkelijk onder-
scheiden van een muzikalen toon; bij de tonen zeiven onderscheidt
men hoogere en lagere, sterkere en zwakkere; een toon, door de
menschelijke stem voortgebracht, verschilt weder aanzienlijk van dien,
welke door een of ander muziekinstrument wordt teweeggebracht.
Wanneer wij datgene, wat men knal of gedruisch noemt en dat
slechts te beschouwen is als het resultaat van onregelmatige tril-
lingen, ter zijde stellen, dan kan men het verschil der eigenlijke