Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
250.
geeft, ea laat men dan een aan een koord hangend ivoren of
metalen balletje den wand aanraken, dan wordt het er met kracht
weder van afgestooten; dit duurt voort, tot het geluid geheel heeft
opgehouden. De afstooting van het balletje wordt veroorzaakt
door de trillende beweging van den wand der klok. Houdt men
den vinger zacht daartegen, dan gevoelt men duidelijk de trillende
beweging; drukt men wat sterker tegen het geluidgevend lichaam,
dan houdt de trillende beweging en. ook het geluid terstond op.
Neemt men in plaats van eene klok een ander vast lichaam,"bijv.
eene metalen of glazen plaat, waarop men zand of iets dergelijks
gestrooid heeft, dan ziet men, zoodra het lichaam geluid geeft, de
zandkorreltjes in beweging geraken. Plaatst men kleine stukjes
papier op eene gespannen snaar, dan vliegen zij er af, zoodra men
de snaar, door haar aan te strijken, geluid doet geven. Is de
snaar niet al te kort of te sterk gespannen, dan kan men de tril-
lende beweging ook duidelijk aan haar zelve waarnemen.
Doet men deze proef met sommige blaasinstrumenten, dan be-
merkt men bij het vaste lichaam geen trilling. Inderdaad is het bij
deze ook niet de vaste stof, maar, zooals wij weldra zien zullen,
de zich daarbinnen bevindende lucht, welker trillingen oorzaak zijn
van het geluid.
De geluidstrillingen van de verschillende lichamen zouden niet
tot ons kunnen geraken, zoo er niet eene stof was, door welke zij
tot ons gehoororgaan worden voortgeplant. Deze stof is doorgaans
de lucht. Dat zij noodig is tot voortplanting van het geluid, kan
door eene eenvoudige proef blijken. Wanneer men onder de klok
van de luchtpomp (Fig. 147) een klokje A plaatst, waartegen gedurig
een door een uurwerk in beweging gebracht hamertje slaat, dan
zal men, zoolang er lucht onder de klok aanwezig is, het geluid
duidelijk kunnen hooren. Naarmate echter de lucht wordt verdund,
wordt het geluid zwakker; is de ruimte onder de klok nagenoeg
luchtledig, dan bemerkt men het niet meer. Laat men er de
lucht weder in, dan hoort men ook het klokje weder. Men moet
bij deze proef de voorzorg nemen van het klokje op een kussentje
te plaatsen, daar anders het geluid door de vaste deelen van de
luchtpomp genoeg zou voortgeplant worden, om door ons gehoor
vernomen te kunnen worden.
Met deze proef komt de waarneming geheel overeen, dat het