Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
nomen en behouden, dien. In dat geval zegt men , dat de grens
der veerkracht is overschreden.
De zoo even gegeven voorbeelden hebben alleen betrekking op
veerkracht bij buiging; de veerkracht bij zamendrukking is eene
eigenschap, die alle lichamen in meerdere of mindere mate ver-
toonen.
11. Aggregaats-toestanden. — De wijze, waarop de moleculen
van een lichaam naast of bij elkander geplaatst of gegroepeerd
ziju, kan zeer verschillend zijn; de drie verschillende toestanden,
waarin een lichaam dientengevolge kan voorkomen, noemt men
den vasten, den vloeibaren en den gasvormigen toestand.
A^aste lichamen hebben een volume en een vorm, die
onafhankelijk zijn van de ruimte, waarin men hen
brengt; hunne deeltjes laten zich niet dan met moeite van elk-
ander scheiden, of ten opzichte van elkander in een anderen stand
plaatsen.
Bij vloeibare lichamen is het volume niet, doch de
vorm wel afhankelijk van de ruimte, waarin men hen
brengt; zij nemen de gedaante aan van het vat, waarin
zij besloten zijn. Hunne deeltjes kunnen door een uiterst
geringe kracht van. elkander gescheiden worden.
Bij gasvormige lichamen eindelijk zijn volume en
vorm beide afhankelijk van de ruimte, waarin men
hen brengt; zij kunnen gemakkelijk tot een veel klei-
ner' volume worden zamengeperst, en ook omgekeerd
eene veel grootere ruimte vullen. Even als bij de vloei-
stoffen laten de deeltjes zich gemakkelijk van elkander scheiden:
zij hebben zelfs een streven om zich steeds van elkander te ver-
wijderen en schijnen elkander af te stooten.
Dat deze verschillende toestanden zouden moeten worden toege-
schreven aan den aard der atomen, mag niet ondersteld worden.
Neemt men toch in aanmerking, dat er lichamen zijn, die in drie
verschillende toestanden voorkomen, zoo als water, dat als ijs een
vast lichaam, als water vloeibaar, en als damp of stoom gasvormig
is, dan zou men eene verandering van den aard der atomen moeten
aannemen, als die lichamen van den eenen tot den anderen dier
toestanden overgaan. Daar dit echter strijdig zou zijn met het