Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
223.
van bal tot bal, tot dat eindelijk de laatste zelf in beweging
geraakt. De moleculaire beweging in alle tusscliengelegen ballen
is dus weder in gewone en zichtbare beweging van den laatsten
bal overgegaan.
Een dergelijk voorbeeld van de voortplanting levert een niet te
sterk gespannen koord. Slaat men daarop aan het eene uiteinde,
zoodat een deel van het koord naar buiten wordt gebogen, dan
ziet men de bocht zich tot het andere uiteinde voortbewegen of
voortplanten.
Deze laatste wijze van voortplanting heeft slechts plaats in ééne
richting, dat is, langs eene lijn. Heeft men aan het koord slechts
één slag gegeven, dan komt het geslagen gedeelte terstond tot rust,
als de beweging zich tot het volgende gedeelte heeft voortgeplant;
zoo ook is bij de ivoren ballen elke bal tot rust gekomen, zoodra
de beweging tot den volgenden is overgegaan. In beide gevallen
is het duidelijk, dat het arbeidsvermogen door middel van de
moleculaire beweging op een zekeren afstand is overgebracht. De
laatste ivoren bal springt weder op, juist zooals de eerste zou ge-
daan hebben, als hij alleen in slingering was gebracht, indienten
minste door wrijving of anderen schadelijken invloed geen arbeids-
vermogen is verloren gegaan. Geeft men aan het koord achtereen-
volgens meer slagen, dan zullen de bochten van het eene naar het
andere uiteinde elkander opvolgen; het arbeidsvermogen, door elk
dezer slagen teweeg gebracht, wordt op die wijze geheel naar het
andere uiteinde overgebracht, indien niet door schadelijke weer-
standen een gedeelte daarvan verloren gaat.
Bij voortplanting der trillende beweging over een vlak, zoo als
men bij de watergolven waarneemt, moet de sterkte of intensiteit
der trillingen afnemen, naar mate de beweging verder van het
punt, van waar zij uitging, wordt voortgeplant, en wel, zooals
duidelijk blijkt, in de omgekeerde reden van den afstand. Het
aantal moleculen, die in beweging geraken, neemt toe met den
afstand van het middenpunt; volgens de wet van het behoud van
het arbeidsvermogen moet de intensiteit der beweging van elk
molecule dus in dezelfde verhouding geringer worden.
Bij voortplanting in de ruimte moet de beweging zich achtereen-
volgens mededeelen aan alle moleculen, die zich bevinden aan de
oppervlakte van concentrische bollen, die het uitgangspunt van de