Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
214.
beweging van het water naar den alcohol veel sterker is dan die
van den alcohol naar het water; vervangt men de blaas door een
gespannen vlies van caoutchouc, dan heeft juist het tegenoverge-
stelde plaats, daar zich nu meer alcohol naar het water begeeft,
dan omgekeerd.
Bevindt zich het vocht slechts aan één kant van den poreuzen
wand, dan zal het door de poriën heen aan de buitenzijde van den
wand komen en daar vervloeijen en verdampen. Gedurig wordt
er nieuwe vloeistof aangevoerd en die, welke zich aan den binnen-
wand bevindt, zal dus langzamerhand verminderen. Heeft men
bijv. eene blaas met alcohol en water, dan zal vooral het water
door de poriën heendringen en aan de buitenzijde verdampen,
zoodat het zich daar binnenin bevindende vocht sterker wordt. Heeft
men eene omgebogen glazen buis, waarvan het eene been veel langer
is dan het andere, geheel met een vocht gevuld, vervolgens het
kortste been met eene blaas gesloten, en keert men die dan, de
opening van het lange been gesloten houdende, om boven een
kwikbak, waarin men het uiteinde van het lange been dompelt,
dan zal het vocht langzamerhand door de blaas heen verdampen.
Daar er dientengevolge een luchtledig zou moeten ontstaan, stijgt
het kwikzilver langzamerhand in het lange been der buis.
De wetten der osmose, dat is de invloed, dien de aard der vochten
op de sterkte der stroomingen uitoefent, zijn nog zeer onvolledig
bekend. Proeven door verschillende natuurkundigen in het werk
gesteld, hebben niet zelden tot tegenstrijdige uitkomsten geleid.
Uit de onderzoekingen van Graham (1854) blijkt echter, dat alleen
osmose mogelijk is bij vloeistoft'en, die den wand bevochtigen, doch
dat er ook enkele poreuze stoffen zijn, zooals leder en gips, waar-
door geen osmose plaats heeft; dat op geringe uitzonderingen na,
de sterkste beweging plaats heeft van de meest verdunde naar eene
sterkere oplossing, en dat water van alle vloeistoü'en het sterkst
door een dierlijken tusschenwand dringt; voorts dat de temperatuur
een merkbaren invloed op de verschijnselen uitoefent, en dat de
osmotische werking het krachtigst schijnt te wezen bij die stoffen,
die op den wand eene scheikundige werking uitoefenen. Zoo lang
echter de verschijnselen niet beter bekend zijn, is het onmogelijk
die theoretisch nauwkeurig te verklaren. Eene volledige kennis
der endosmose zou voor de ph3'Siologie van veel belang zijn, daar