Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
211.
ziet men het kolommetje dalen, zoodat het niet meer dan 3 millimeter
hoog is. Dit komt, omdat de capillaire werking nu niet meer wordt
veroorzaakt door water, maar door zwavelether; de capillaire hoogte
moet dus ook geringer zijn. Dat het kolommetje kleiner is, dan
wanneer het buisje in etlier gedompeld was, is alleen daaraan toe
te schrijven, dat liet nog grootendeels uit water bestaat, dat soorte-
lijk zwaarder is dan ether. Hierin vinden wij dus juist de beves-
tiging van het hiervóór opgemerkte, dat de hydrostatische drukking
van het kolommetje, dat zich binnen in de buis bevindt, evenwicht
moet maken met de moleculaire spanning aan de oppervlakte.
De capillariteit geeft ons de verklaring van eene menigte verschijn-
selen, die wij dagelijks waarnemen. Dompelt men poreuse lichamen
gedeeltelijk in een vocht, dan stijgt dit daarin spoedig tot eene
aanzienlijke hoogte; de poriën, of beter gezegd de ruimten tusschen
de stofdeeltjes, vormen als 't ware eene menigte zeer nauwe capil-
laire kanalen, waarin de vochten kunnen opklimmen. Broodsuiker,
vele steensoorten, onverglaasd aardewerk, lampkatoen en vele
dierlijke en plantaardige weefsels kunnen tot voorbeeld strekken.
Ook poedervormige stoffen kunnen als zoodanig beschouwd worden;
vochten, die zouten opgelost houden, stijgen tusschen de zand-
korreltjes op en brengen die stoffen tot de oppervlakte der aarde,
waar het water verdampt en de zouten dus in den vasten toestand
overblijven.
116. Moleculaire werking tusschen verschillende voch-
ten; diffusie, osmose, — Brengt men eene geringe lioeveelheid
water op kwikzilver, of olie op water, dan verspreidt deze zich
terstond daarover; deze vochten oefenen dus ook adhaesie op
elkander uit. In de meeste gevallen bepaalt zich echter deze wer-
king niet tot de oppervlakten, maar ontstaat er na korten tijd een
homogeen mengsel. Die werking noemt men diffusie. Dikwijls
heeft daarbij scheikundige werking plaats; somtijds worden ook nog
andere verschijnselen waargenomen. Wanneer men bijv. gelijke
volumes alcohol en water vermengt, dan zal het volume van het
mengsel geringer zijn dan de som der beide oorspronkelijke volumes.
Vult men eene lange, aan het eene eind geslotene glazen buis half
met water, en schenkt men er dan voorzichtig alcohol bij tot de buis
vol is, dan blijft deze als soortelijk lichter boven het water; sluit