Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
210.
laat zich dan gemakkelijk meten. Ook voor andere vloeistoffen
kan men zich van dergelijke buizen bedienen.
Uit zoodanige proeven is gebleken, dat de hoogte in een buisje
van een millimeter middellijn bij eene temperatuur van 18° C voor
water 29,79 mm., voor alcohol van 0,8196 soortelijk gewicht 12,18
mm., voor terpetijnolie 12,72 mm., voor zwavelether 8,34 mm. be-
draagt. Bij hoogeren warmtegraad zijn de vochtkolommen kleiner.
In zeer nauwe buisjes is het moeilijk bovengemelde wetten na te
gaan; men zuigt doorgaans het vocht daarin op tot eene voldoende
hoogte en laat het dan weer van zelf zakken; men heeft dan echter
den binnenwand geheel vochtig gemaakt en dit blijkt niet zonder
invloed te zijn. Ook is het uiterst moeilijk zeer nauwe buisjes
van binnen goed schoon te maken.
Voor het kwikzilver heeft men door proefneming nog geen vol-
komen bevestiging van bovengemelde wetten gevonden; de aard
van den wand schijnt bij die vloeistof een zeer grooten invloed op
de verschijnselen uit te oefenen.
Voor natte vochten wordt de tweede wet bevestigd door de
proef met den in fig. 130 afgebeelden toestel.
Dat de hoogte van de kolom niet afhangt van de dikte der
wanden, kan men aantoonen door buizen, die gelijken inwendigen
diameter maar ongelijk dikke wanden hebben, onderling te verge-
lijken. Dat de afstand of vorm van den wand beneden de bovenste
oppervlakte van de vloeistof in de buis geen invloed uitoefent,
kan men aantoonen door in de vloeistof eene van onderen wijd uit-
loopende buis en eene cilindrische te dompelen; indien de middellijn
aan de bovenste oppervlakte slechts dezelfde is, zal het vocht in
beide even hoog staan, hoewel de hoeveelheden, die worden opgelicht,
zeer verschillend zijn. Dat alleen de bovenste oppervlakte der vloei-
stof invloed uitoefent op de hoogte, tot welke zij in de capillaire buis
opklimt, kan ook door de volgende proef worden aangetoond. Men
plaatst een niet al te lang buisje van ongeveer twee millimeter middel-
lijn in het water, dat er dan tot eene hoogte van omstreeks 1,5 centi-
meter in zal opklimmen. Brengt men nu boven in het buisje door
middel van eene fijne pipet eene zeer geringe hoeveelheid zwavelether,
dan daalt deze langs de binnenwanden neer tot op de oppervlakte
van het waterkolommetje, waarop hij, als soortelijk lichter, blijft
liggen. Maar zoodra de ether met het water in aanraking komt,