Boekgegevens
Titel: Leerboek der natuurkunde
Auteur: Steyn Parvé, D.J.
Uitgave: Tiel: H.C.A. Campagne, 1879-...
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1217
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202005
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
209.
zal er afstooting in plaats van aantrekking plaats hebben. De vloei-
stof zal ten opzichte van de balletjes een stand aannemen als in
fig. 135 is aangewezen. Was het eerste P alleen, dan zou de vloei-
stof aan beide zijden evenveel neergedrukt worden en dus staan
volgens cd; was Q alleen, dan zou de opheffing aan beide kanten
even groot zijn en de vloeistof derhalve klimmen tot ah. Komen
nu de balletjes zoo dicht bij elkander, dat de holle en bolle opper-
vlakten beide in elkander loopen, dan zal het vocht een stand aan-
nemen, tusschen de beide standen ah en cd in gelegen, bijv. volgens
mn. Het balletje P ondervindt dan aan de binnenzijde eene sterkere
hydrostatische drukking dan aan den buitenkant, veroorzaakt door
het verschil in hoogte mc; Q wordt door de moleculaire werking
van het vocht, dat bij n tracht te klimmen, buitenwaarts gedreven;
de balletjes zullen zich dus van elkander verwijderen.
Hetgeen hier van balletjes gezegd is, geldt evenzeer van andere
voorwerpen en ook van de wanden van het vat zelf.
115. Wetten der capillaire verschijnselen. — Volgens de
wiskundige theorie, die wij hier niet kunnen opnemen, hebben
bij de capillaire verschijnselen de volgende wetten plaats:
1". de klimming of neerdrukking is voor dezelfde
vloeistof en voor buizen uit dezelfde stof omgekeerd
evenredig aan den middellijn der buis.
2". de klimming of neerdrukking is omgekeerd
evenredig aan den afstand der vlakke platen, tus-
schen welke zij zich bevindt;
3^ de klimming of neerdrukking is bij eene buis het
dubbel van die bij vlakke platen, welker afstand gelijk
is aan de middellijn der buis.
Door proefneming worden deze wetten voor vochten, die de
wanden bevochtigen, bevestigd. Men kan de klimming of daling
van het vocht het gemakkelijkst meten, wanneer men voor vloei-
stoffen, die den wand bevochtigen, buizen van verschillende middel-
lijn en platen op onderscheiden afstand van elkander in een zelfde
vat plaatst en dan de vochtkolommetjes meet. Voor de andere voch-
ten, zooals kwikzilver, moet men zich echter bedienen van omge-
bogen buizen van den vorm als in fig. 129. Het verschil in hoogte
tusschen de oppervlakten in den wijden en in den nauwen arm
14